Stilte tussen de euro’s: De prijs van mijn huwelijk

‘Waarom moet jij altijd alles controleren, Marjolein?’ Sander’s stem trilt, maar zijn ogen zijn vastberaden. Ik sta in de keuken, mijn handen om de rand van het aanrecht geklemd. De geur van aangebrande koffie hangt in de lucht. ‘Omdat ik het altijd heb gedaan,’ zeg ik zacht. Mijn stem klinkt schor, alsof ik al uren niet heb gesproken.

Het is zaterdagochtend in onze flat in Utrecht-Oost. Buiten fietsen kinderen langs het raam, hun stemmen vrolijk en onbezorgd. Binnen is het koud, ondanks de verwarming die zachtjes tikt. Sander en ik staan tegenover elkaar als vreemden.

‘Ik verdien minder dan jij, dat weet ik heus wel,’ zegt hij. ‘Maar dat betekent toch niet dat ik geen zeggenschap heb?’

Ik wil hem zeggen dat het daar niet om gaat, dat het om vertrouwen draait, maar de woorden blijven steken in mijn keel. Sinds Sander drie maanden geleden zijn baan als docent verloor en nu parttime werkt bij de bibliotheek, zijn onze rollen verschoven. Ik werk nog steeds fulltime als projectmanager bij een marketingbureau. De rekeningen komen binnen op mijn naam, de hypotheek, de boodschappen, alles. Maar Sander wilde per se de financiën beheren. ‘Laat mij het maar doen,’ zei hij op een avond toen ik uitgeput thuiskwam. ‘Jij hebt al genoeg aan je hoofd.’

In het begin voelde het als een opluchting. Geen gezeur meer over bonnetjes of vergeten automatische incasso’s. Maar langzaam sloop er iets in ons huis dat ik niet kon benoemen. Een soort stilte die steeds zwaarder werd.

‘Weet je nog,’ begin ik aarzelend, ‘toen we samen op die zolderkamer woonden in Amersfoort? We hadden niks, maar we lachten om alles.’

Sander glimlacht flauwtjes. ‘Toen was geld geen probleem omdat we geen geld hadden.’

‘Nu hebben we geld en is het alsnog een probleem.’

Hij draait zich om en pakt zijn jas van de kapstok. ‘Ik ga even wandelen.’

De deur valt dicht en ik blijf achter met mijn gedachten. Mijn moeder zei altijd: “Geld maakt meer kapot dan je lief is.” Ik lachte haar uit toen ze dat zei op onze trouwdag. Sander en ik waren anders, dacht ik toen.

Mijn telefoon trilt op het aanrecht. Een appje van mijn zusje, Anouk: “Hoe gaat het met jullie? Je klonk zo gespannen laatst.” Ik twijfel of ik zal antwoorden. Anouk is altijd zo direct, zo eerlijk. Ze zou zeggen dat ik gewoon met Sander moet praten, dat geld niet belangrijk is zolang je van elkaar houdt.

Maar wat als geld wel belangrijk is? Wat als het alles bepaalt?

De rest van de dag sluip ik door het huis als een schim. Ik vouw was op die al drie dagen in de mand ligt, maak de badkamer schoon en kijk naar de lege plek waar Sander’s schoenen horen te staan. Pas tegen de avond komt hij terug.

‘We moeten praten,’ zegt hij zonder me aan te kijken.

We zitten aan tafel met twee koppen thee tussen ons in. De stilte is ondraaglijk.

‘Ik voel me nutteloos,’ zegt Sander plotseling. ‘Alsof ik alleen nog besta om jouw geld uit te geven.’

‘Dat is niet waar,’ zeg ik snel.

‘Jawel,’ zegt hij zacht. ‘Sinds ik minder werk, voel ik me… minder man.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. In mijn hoofd hoor ik mijn vader: “Een man hoort voor zijn gezin te zorgen.” Maar dit is 2024, denk ik boos. Waarom voelt het dan toch zo ouderwets?

‘Misschien moeten we hulp zoeken,’ stel ik voor.

Sander schudt zijn hoofd. ‘We moeten gewoon eerlijk zijn tegen elkaar.’

En dus beginnen we te praten. Over geld, over verwachtingen, over angsten die we nooit hebben uitgesproken. Ik vertel hem dat ik bang ben om alles kwijt te raken – niet alleen het geld, maar ook hem. Hij vertelt dat hij zich schaamt voor zijn baanverlies en bang is dat ik hem niet meer respecteer.

De dagen daarna verandert er iets kleins tussen ons. We maken samen een nieuw huishoudboekje; deze keer echt samen. We verdelen de taken opnieuw en spreken af elke week te praten over hoe het gaat – niet alleen financieel, maar ook emotioneel.

Toch blijft er iets knagen. Op een avond zit ik alleen op de bank terwijl Sander boven een boek leest. Ik scroll gedachteloos door Facebook en zie een foto van Anouk met haar vriend op vakantie in Italië. Ze lachen breeduit, hun gezichten zongebruind en ontspannen.

Ik vraag me af: wanneer waren wij voor het laatst zo gelukkig?

De volgende dag belt mijn moeder onverwacht aan. Ze kijkt me doordringend aan terwijl ze haar jas uittrekt.

‘Je vader en ik hadden ook onze problemen,’ zegt ze zonder omwegen. ‘Maar we hebben nooit opgegeven.’

Ik zucht diep. ‘Het voelt soms alsof we elkaar kwijt zijn.’

Ze pakt mijn hand vast. ‘Geld is nooit het echte probleem, Marjolein. Het is wat je ermee doet – of juist niet doet.’

Die nacht lig ik wakker naast Sander en luister naar zijn ademhaling. Ik denk aan alles wat we samen hebben opgebouwd: dit huis, onze herinneringen, onze dromen die nu ergens onder een stapel rekeningen liggen te verstoffen.

Op een dag komt Sander thuis met een verrassing: hij heeft gesolliciteerd bij een nieuwe school en mag op gesprek komen.

‘Ik wil weer lesgeven,’ zegt hij met glimmende ogen.

Ik voel een sprankje hoop opborrelen dat ik lang niet heb gevoeld.

De weken daarna zijn spannend en onzeker. We wachten op nieuws van de school, ondertussen proberen we elkaar weer te vinden in kleine dingen: samen koken, wandelen langs de Oudegracht, oude foto’s bekijken.

Op een regenachtige dinsdag krijgt Sander het telefoontje: hij mag beginnen na de zomer.

We vieren het met pizza en wijn op de bank. Voor het eerst in maanden lachen we weer echt samen.

Toch weet ik dat er geen simpele oplossingen zijn. Geld zal altijd een rol spelen in ons leven – soms als vriend, soms als vijand.

Soms vraag ik me af: hoeveel kost liefde eigenlijk? En wat ben je bereid te betalen om elkaar niet kwijt te raken?