De hongerige buurvrouw die nooit rust vond

‘Waarom hebben wij nooit genoeg brood, mam?’ Lotte’s stem klonk schor door de dunne muur die onze flatscheiding vormde. Ik lag op mijn bed, het geluid van haar hongerige vraag sneed als een mes door mijn borst. Mijn moeder keek me aan, haar blik vol medelijden en onmacht. ‘Sssst, Bram,’ fluisterde ze, ‘niet luisteren, het is niet onze zaak.’ Maar hoe kon ik niet luisteren? Elke avond hoorde ik het gerommel van pannen, het zachte snikken van mevrouw Van Dijk, en het driftige gebonk van meneer Van Dijk die weer te veel had gedronken.

Mijn jeugd speelde zich af in een grauwe flat in Rotterdam-Zuid, waar de geur van natte beton en goedkope shag altijd in de lucht hing. De familie Van Dijk woonde naast ons, hun voordeur altijd een beetje scheef, hun gordijnen altijd dicht. Lotte was een jaar jonger dan ik, met grote blauwe ogen die altijd leken te vragen: ‘Help me.’ Op school zat ze vaak alleen op het plein, haar boterhammen zonder beleg, haar jas te dun voor de winterkou.

‘Lotte, kom je buiten spelen?’ vroeg ik op een dag voorzichtig. Ze keek op, haar gezichtje bleek. ‘Mag niet van papa. Hij slaapt.’ Ik wist wat dat betekende: haar vader lag laveloos op de bank, haar moeder probeerde de scherven bij elkaar te rapen. Soms hoorde ik meneer Van Dijk schreeuwen: ‘Waar is mijn geld, Truus? Heb je weer alles uitgegeven aan die rotkinderen?’

Mijn eigen ouders probeerden zich afzijdig te houden. ‘We hebben zelf al genoeg zorgen,’ zei mijn vader als ik vroeg of we iets konden doen. Maar ik kon het niet loslaten. Op een avond sloop ik naar onze voorraadkast en pakte een pak koekjes. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik zachtjes bij Lotte aanbelde. Ze deed open, haar ogen groot van verbazing. ‘Voor jou,’ fluisterde ik. Ze glimlachte zwakjes en sloot snel de deur.

De volgende dag zag ik blauwe plekken op haar armen. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik geschrokken. Ze haalde haar schouders op. ‘Papa was boos.’ Ik voelde een golf van woede en machteloosheid door me heen gaan. Waarom deed niemand iets? Waarom keek iedereen weg?

De jaren gingen voorbij en de situatie werd alleen maar erger. Meneer Van Dijk verloor zijn baan bij de haven en verdronk zijn verdriet in goedkope jenever. Mevrouw Van Dijk werd steeds stiller, haar gezicht getekend door zorgen en slapeloze nachten. Lotte kwam steeds vaker niet opdagen op school. Op een dag was ze helemaal verdwenen.

‘Ze zijn verhuisd,’ zei mijn moeder kortaf toen ik vroeg waar Lotte was gebleven. Maar ik wist beter. Niemand had dozen zien sjouwen, niemand had afscheid genomen. De flat naast ons stond ineens leeg, maar de echo’s van hun ellende bleven hangen in de gang.

Jaren later, toen ik zelf volwassen was en werkte als maatschappelijk werker in dezelfde wijk, dacht ik vaak terug aan Lotte. Had ik meer kunnen doen? Had iemand haar kunnen redden? Soms droomde ik dat ik haar tegenkwam op straat, dat ze me aankeek met diezelfde vragende ogen.

Op een druilerige novemberdag stond er ineens een jonge vrouw voor mijn kantoor. Haar ogen waren nog steeds groot en blauw, maar nu dof en moe. ‘Bram?’ vroeg ze aarzelend. Het was Lotte.

We gingen zitten, dronken slappe koffie uit plastic bekertjes. Ze vertelde over opvanghuizen, over nachten op straat, over mannen die haar misbruikten omdat ze nergens heen kon. ‘Ik heb nooit rust gevonden,’ zei ze zacht. ‘Altijd honger gehad, naar eten, naar liefde, naar veiligheid.’

Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde ik. ‘Ik had meer moeten doen.’

Ze glimlachte flauwtjes. ‘Jij was de enige die ooit iets gaf.’

Die avond liep ik door de regen naar huis, het beeld van Lotte’s lege blik brandde op mijn netvlies. Hoeveel kinderen zoals zij lopen er nog rond in onze stad? Hoeveel mensen kijken weg uit angst voor hun eigen ongemak?

Soms vraag ik me af: als we allemaal iets kleins zouden doen, zou dat dan genoeg zijn om het verschil te maken? Of blijven we toekijken terwijl anderen langzaam verdwijnen?