De waarheid achter gesloten deuren
‘Ik wil je man niet. Maar je moet weten wie hij echt is.’
Die woorden brandden op mijn scherm, terwijl ik met trillende vingers mijn telefoon vasthield. Mijn adem stokte. Het was woensdagmorgen, de geur van verse koffie hing nog in de keuken, maar alles voelde plotseling koud. Mijn naam is Marloes van Dijk, 38 jaar, moeder van twee kinderen en – dacht ik – gelukkig getrouwd met Jeroen.
Ik las het bericht drie keer. Eerst dacht ik aan spam, een slechte grap misschien. Maar haar naam – Anouk – zei me vaag iets. Ik had haar wel eens gezien, op het schoolplein, haar dochter zat bij onze zoon in de klas. Waarom zou zij mij zoiets sturen?
‘Marloes, wat is er?’ vroeg Jeroen vanuit de woonkamer, zijn stem klonk achteloos. Ik slikte en stopte mijn telefoon in mijn broekzak. ‘Niks,’ loog ik, ‘gewoon werk.’
Maar het liet me niet los. Terwijl ik de kinderen naar school bracht, voelde ik Anouks ogen prikken in mijn rug. Ze stond bij het hek, haar blik gleed snel weg toen ik haar aankeek. Mijn dochtertje, Lotte, trok aan mijn hand. ‘Mama, waarom kijk je zo boos?’
‘Ik ben niet boos, lieverd,’ zei ik zacht, maar mijn stem trilde.
Thuis zette ik de koffie opnieuw aan en opende het bericht nog eens. Er stond meer onder die eerste zin:
‘Ik weet dat dit moeilijk is om te horen. Maar Jeroen is niet wie je denkt dat hij is. Hij heeft mij maandenlang voorgelogen. Ik dacht dat hij gescheiden was. Pas vorige week kwam ik erachter dat hij nog steeds met jou samen is.’
Mijn maag draaide om. Dit kon niet waar zijn. Jeroen? Mijn Jeroen? Natuurlijk hadden we onze problemen – wie niet? – maar vreemdgaan? Ik dacht aan de avonden dat hij laat thuiskwam van ‘werk’, de plotselinge zakelijke tripjes naar Den Haag.
Ik besloot Anouk te bellen. Mijn handen trilden zo erg dat ik bijna het verkeerde nummer intoetste.
‘Hallo?’ Haar stem klonk schor.
‘Met Marloes… van Dijk.’
Een stilte. Toen: ‘Ik ben zo ontzettend sorry.’
‘Vertel me alles,’ zei ik, mijn stem ijzig kalm.
Anouk vertelde over hun ontmoetingen in Utrecht, over de etentjes, de wandelingen langs de Oudegracht. Hoe Jeroen haar had verteld dat hij gescheiden was, dat hij zijn kinderen miste. Hoe hij haar had gekust op een regenachtige vrijdagmiddag terwijl zij dacht dat ze samen een toekomst hadden.
‘Ik kwam erachter via Facebook,’ zei ze zacht. ‘Een foto van jullie samen op vakantie in Zeeland, vorige maand.’
Mijn hoofd tolde. Ik bedankte haar en hing op.
Die avond zat Jeroen tegenover me aan tafel, zijn blik op zijn bord pasta.
‘Hoe was je dag?’ vroeg hij.
‘Met wie was je vorige week vrijdag in Utrecht?’ vroeg ik zonder omwegen.
Hij keek op, zijn vork halverwege zijn mond bevroren.
‘Wat bedoel je?’
‘Je weet precies wat ik bedoel.’
Hij legde zijn vork neer, wreef over zijn gezicht.
‘Marloes…’
‘Hoe lang al?’ Mijn stem brak.
Hij zweeg lang. Toen: ‘Een paar maanden.’
De kinderen zaten boven televisie te kijken. Ik voelde me leeggezogen, alsof iemand het licht in mij had uitgedraaid.
‘Waarom?’ vroeg ik zacht.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde hij. ‘Het ging niet goed tussen ons…’
‘En dan ga je vreemd? In plaats van te praten?’
Hij haalde zijn schouders op, zijn ogen vochtig.
Die nacht sliep ik op de bank. Ik hoorde hem boven heen en weer lopen, hoorde hem huilen – of misschien was het de wind die huilde door de kieren van ons oude huis in Amersfoort.
De dagen daarna leefden we langs elkaar heen. De kinderen voelden de spanning; Lotte werd stil en teruggetrokken, Daan begon te stotteren als hij iets vroeg. Mijn moeder belde: ‘Is er iets aan de hand? Je klinkt zo anders.’
Ik kon haar niets vertellen. Niet nu al.
Op een avond kwam Jeroen naar beneden terwijl ik fotoalbums bekeek – herinneringen aan betere tijden: onze bruiloft in het stadhuis van Utrecht, Lotte’s eerste stapjes in het park, Daan met zijn eerste voetbalmedaille.
‘Marloes… kunnen we praten?’
Ik keek hem aan, zag de man die ik ooit vertrouwde met alles wat ik had.
‘Ik wil weten waarom,’ zei ik. ‘Niet voor mij – voor onze kinderen.’
Hij vertelde over zijn onzekerheden, over hoe hij zich onzichtbaar voelde in ons gezin, hoe hij hunkerde naar aandacht die hij bij mij niet meer vond. Hoe Anouk hem liet voelen alsof hij ertoe deed.
‘En ik dan?’ riep ik uit. ‘Denk je dat ík me nooit alleen voel? Dat ík geen aandacht nodig heb?’
We huilden allebei die avond. Maar iets was gebroken wat niet zomaar te lijmen viel.
De weken daarna probeerden we het opnieuw – relatietherapie bij een vrouw in Soest die altijd wierook brandde en ons liet praten over onze jeugdtrauma’s. Soms leek het te werken; soms haatte ik hem meer dan ooit.
Mijn ouders vonden dat ik moest blijven voor de kinderen – ‘Je gooit toch niet zomaar alles weg?’ zei mijn moeder terwijl ze appeltaart sneed in haar keuken vol Delfts blauw servies.
Mijn beste vriendin Sanne vond juist dat ik sterker was dan dit: ‘Je verdient beter dan een man die liegt.’
En ik? Ik wist het niet meer.
Op een dag kwam Lotte thuis met een tekening: vier poppetjes hand in hand onder een regenboog. ‘Dit is ons gezin,’ zei ze trots.
Ik brak opnieuw.
Uiteindelijk koos ik voor mezelf – en voor de kinderen. Jeroen verhuisde naar een appartement aan de andere kant van Amersfoort. De eerste weken voelde alles leeg en koud; zelfs de muren leken te huilen als het stormde buiten.
Langzaam leerde ik opnieuw ademhalen. Ik vond steun bij Sanne en bij Anouk – gek genoeg werden we vriendinnen, verbonden door dezelfde pijn.
Soms zie ik Jeroen nog op het schoolplein; we groeten elkaar beleefd, maar er hangt altijd iets onuitgesprokens tussen ons.
Nu, maanden later, vraag ik me af: Had ik anders moeten kiezen? Is vergeving sterker dan trots? Of is eerlijkheid uiteindelijk het enige wat telt?
Wat zouden jullie doen als je leven ineens op z’n kop staat door één berichtje? Zou je kunnen vergeven – of juist niet?