Waarom ik het contact met mijn moeder moest verbreken: Een verhaal over verraad, vergeving en het zoeken naar mijn eigen waarde

‘Dus jij kiest zijn kant?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer mijn tranen in te slikken. Mijn moeder kijkt me aan met die kille blik die ik vroeger alleen zag als ik haar teleurstelde met een slecht rapport. ‘Marieke, je weet dat ik altijd eerlijk ben. Jij hebt het er zelf naar gemaakt.’

Het is alsof iemand een mes in mijn borst steekt. Ik sta in haar kleine woonkamer in Amersfoort, tussen de vergeelde foto’s van vroeger. Op één ervan lach ik als kind, haar hand beschermend op mijn schouder. Nu voelt die hand als een muur tussen ons in.

‘Mam, hij heeft me bedrogen. Hij heeft me kapotgemaakt. Hoe kun je dit zeggen?’ Mijn stem slaat over. Ik hoor mezelf schreeuwen, maar het lijkt alsof ik onder water ben. Alles klinkt dof.

Ze zucht. ‘Je moet niet altijd zo dramatisch doen, Marieke. Je vader en ik hebben ook onze problemen gehad. Je moet gewoon wat volwassener worden.’

Ik weet niet wat erger is: haar woorden of de manier waarop ze me aankijkt, alsof ik een lastig kind ben dat weer eens overdrijft. Mijn handen trillen als ik mijn jas pak. ‘Ik kom voorlopig niet meer terug,’ fluister ik. Ze zegt niets.

Buiten regent het. De lucht is grijs, net als mijn gedachten. Ik loop richting station Amersfoort, de tranen stromen nu vrij over mijn wangen. Ik voel me leeg, verraden, alsof ik geen thuis meer heb.

Thuis – dat woord heeft nooit echt bestaan voor mij. Mijn ouders waren altijd druk met zichzelf, met hun werk, met hun eigen ruzies. Mijn vader was vaak weg, mijn moeder was er fysiek, maar emotioneel onbereikbaar. Toen ik op mijn negentiende met Jeroen ging samenwonen, dacht ik eindelijk iemand te hebben gevonden die me zag.

Jeroen was charmant, attent – in het begin dan. Na ons huwelijk veranderde hij langzaam in iemand die me klein hield. Hij maakte grapjes over mijn gewicht, over mijn werk als basisschooljuf in Utrecht (‘Je verdient toch niks’), over mijn vrienden (‘Die zijn toch allemaal raar’). Ik lachte het weg, net zoals ik bij mijn moeder altijd deed.

Toen ik hem betrapte met een collega – een vrouw die hij altijd ‘gewoon een vriendin’ noemde – stortte mijn wereld in. Ik pakte mijn spullen en ging naar mijn moeder, hopend op troost. Maar ze zei alleen: ‘Misschien had je beter je best moeten doen.’

De weken daarna waren een waas van pijn en verwarring. Mijn broer Bas belde af en toe: ‘Mam bedoelt het niet zo, Mariek. Ze weet gewoon niet hoe ze moet omgaan met emoties.’ Maar zelfs Bas koos uiteindelijk voor de makkelijke weg: hij bleef komen op zondagmiddag, terwijl ik alleen achterbleef in mijn kleine appartement in Utrecht-Oost.

Op een dag stond Jeroen ineens voor de deur. ‘Kunnen we praten?’ vroeg hij zachtjes. Ik liet hem binnen, tegen beter weten in. Hij huilde, zei dat hij spijt had, dat hij zonder mij niet kon leven.

‘Waarom heb je het dan gedaan?’ vroeg ik.

‘Omdat jij altijd zo afstandelijk was,’ zei hij. ‘Je was altijd moe van je werk, altijd bezig met je moeder.’

Ik voelde de woede opborrelen, maar ook de twijfel: was het echt mijn schuld? Had ik inderdaad te weinig gegeven? Die avond sliep hij op de bank en vertrok de volgende ochtend zonder iets te zeggen.

De weken daarna probeerde ik mezelf weer bij elkaar te rapen. Ik ging vaker wandelen langs de Vecht, probeerde nieuwe recepten uit (al smaakte niets echt goed) en schreef me in voor yoga – iets wat ik altijd al wilde doen maar nooit durfde.

Toch bleef het knagen: waarom koos mijn moeder zijn kant? Waarom voelde het alsof ík degene was die alles fout deed?

Op een dag belde ze onverwacht aan. ‘We moeten praten,’ zei ze streng.

Ik zette thee en we gingen aan tafel zitten. Ze keek me niet aan terwijl ze begon te praten: ‘Jeroen heeft mij gebeld. Hij maakt zich zorgen om jou.’

‘Om mij?’ Ik kon niet geloven wat ik hoorde.

‘Ja,’ zei ze. ‘Hij zegt dat je jezelf verwaarloost. Dat je boos bent op iedereen.’

Ik voelde hoe de woede zich als een vuurbal in mijn buik nestelde. ‘Dus nu ben ík weer de schuldige?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Misschien moet je eens naar jezelf kijken.’

Die avond besloot ik dat het genoeg was geweest. Ik stuurde haar een bericht: “Mam, voorlopig wil ik geen contact meer. Het doet te veel pijn.” Ze reageerde niet.

De maanden daarna waren zwaar. Op verjaardagen werd er gefluisterd: ‘Waar is Marieke?’ Mijn tante Anja stuurde een kaartje: “We missen je.” Maar niemand vroeg écht hoe het met me ging.

Op een avond zat ik alleen op de bank toen Bas belde.

‘Mariek… Mam is gevallen. Ze ligt in het ziekenhuis.’

Mijn hart sloeg over. Moest ik gaan? Was dit het moment om alles te vergeten?

Ik liep door de lege gangen van het Meander Medisch Centrum, mijn hart bonzend in mijn keel. Toen ik haar kamer binnenkwam, lag ze bleek en klein in bed.

‘Marieke…’ Haar stem was zwak.

Ik ging naast haar zitten en pakte haar hand – voor het eerst sinds maanden.

‘Waarom heb je nooit voor mij gekozen?’ vroeg ik zachtjes.

Ze keek weg, tranen in haar ogen. ‘Ik wist niet hoe,’ fluisterde ze.

We huilden allebei – eindelijk samen.

Na haar ontslag uit het ziekenhuis probeerden we het contact langzaam weer op te bouwen, maar het bleef moeizaam. De wonden zaten diep; sommige dingen kun je niet zomaar vergeten of vergeven.

Soms vraag ik me af of ik ooit echt zal kunnen vergeven – haar én mezelf. Maar één ding weet ik zeker: ik ben meer waard dan de liefde die mij werd onthouden.

Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken? Hoe vind je de moed om jezelf op de eerste plaats te zetten?