De keuze van mijn schoonmoeder: Wie blijft er met haar zoon?
‘Waarom ben je zo laat thuis, Daan?’ Mijn stem trilde terwijl ik de sleutel in de voordeur hoorde. Het was al bijna middernacht en de geur van regen hing nog in de gang. Daan gooide zijn jas achteloos over de stoel en keek me niet aan. ‘Het was druk op het werk, Iris. Je weet hoe het gaat.’
Maar ik wist dat het niet waar was. Sinds een paar weken voelde alles anders. Zijn blik, zijn aanrakingen – zelfs zijn geur leek veranderd. Ik was zwanger, en in plaats van vreugde voelde ik alleen maar angst.
Die nacht lag ik wakker, luisterend naar zijn ademhaling naast me. Mijn hand rustte op mijn buik. ‘Misschien redt dit ons,’ fluisterde ik tegen het donker. ‘Misschien wordt alles weer zoals vroeger.’
Maar alles werd erger. Twee weken later vond ik een bericht op zijn telefoon. ‘Ik mis je, Daan. Ik kan niet wachten tot je weer bij me bent. — Liefs, Sanne.’ Mijn hart bonsde in mijn keel. Sanne. Een naam die ik vaag kende van zijn werkborrels. Mijn handen trilden toen ik verder las: ‘Ik ben ook zwanger.’
Het voelde alsof de grond onder me wegzakte. Ik rende naar de badkamer en braakte tot er niets meer uitkwam. Toen ik eindelijk naar beneden strompelde, zat Daan aan de keukentafel met zijn hoofd in zijn handen.
‘Hoe lang al?’ vroeg ik zonder omwegen.
Hij keek op, zijn ogen rood van het huilen of de drank – ik wist het niet meer. ‘Een paar maanden,’ fluisterde hij. ‘Het spijt me, Iris. Echt.’
‘Ze is zwanger,’ zei ik vlak.
Hij knikte.
‘Net als ik.’
Het bleef lang stil. De klok tikte genadeloos door.
De volgende dag stond mijn schoonmoeder, mevrouw Van Dijk, voor de deur. Ze had altijd al een hekel aan me gehad – te eigenwijs, te onafhankelijk, vond ze. Ze keek me aan alsof ik een vlek op haar tafelkleed was.
‘Jullie moeten dit oplossen,’ zei ze streng tegen Daan. ‘Twee vrouwen zwanger van jou? Schande! Maar goed…’ Ze draaide zich naar mij en Sanne, die inmiddels ook was gearriveerd – haar buik net zo rond als de mijne.
‘Luister goed,’ zei mevrouw Van Dijk met haar kille stem. ‘Degene die een zoon baart, blijft bij Daan. De ander vertrekt.’
Sanne keek me triomfantelijk aan, alsof ze al gewonnen had. Ik voelde woede opborrelen, maar ook iets anders – een diep verdriet om wat mijn leven geworden was.
‘En wat als we allebei meisjes krijgen?’ vroeg ik zacht.
‘Dan kiest Daan,’ zei ze zonder te knipperen.
Die avond pakte ik mijn spullen. Daan probeerde me tegen te houden, maar ik duwde hem weg. ‘Ik ben geen prijs in een wedstrijd,’ snauwde ik. ‘Jullie verdienen elkaar.’
Ik trok in bij mijn beste vriendin, Anouk, in haar kleine appartement in Utrecht. De eerste weken waren zwaar – elke dag huilde ik om wat ik verloren had: mijn huwelijk, mijn toekomstbeeld, mijn waardigheid. Maar langzaam vond ik mezelf terug tussen de kartonnen dozen en de geur van verse koffie.
Anouk was er altijd. ‘Je bent sterker dan je denkt,’ zei ze als ik weer eens brak bij het ontbijt.
De maanden verstreken en mijn buik groeide. Ik werkte halve dagen bij een boekhandel en spaarde elke cent die ik kon missen. Soms zag ik Daan op straat met Sanne – hun handen verstrengeld, haar buik trots vooruit.
Op een regenachtige ochtend in november begon de bevalling. Anouk bracht me naar het ziekenhuis en hield mijn hand vast terwijl ik schreeuwde van de pijn.
‘Je kunt dit, Iris!’
Na uren vechten werd mijn dochter geboren: Lotte. Haar ogen waren donkerblauw en haar handjes grepen meteen naar mijn vinger.
Ik huilde tranen van geluk én verdriet.
Twee dagen later kreeg ik een bericht van Daan: ‘Sanne heeft een zoon gekregen.’
Mijn hart brak opnieuw, maar ergens voelde ik ook opluchting. Ik hoefde niet meer te vechten voor iemand die mij nooit gekozen had.
De weken daarna hoorde ik niets meer van Daan of zijn familie. Totdat er op een avond werd aangebeld.
Mevrouw Van Dijk stond voor de deur – haar gezicht bleek en haar ogen rood van het huilen.
‘Iris… alsjeblieft…’ Haar stem brak. ‘Daan is weg. Hij heeft Sanne verlaten. Ze kan het niet aan met die kleine jongen… En jij… Jij bent altijd zo sterk geweest… Kun je ons alsjeblieft helpen?’
Ik keek haar lang aan – de vrouw die mij ooit wegstuurde alsof ik niets waard was.
‘Waarom zou ik?’ vroeg ik kil.
Ze viel op haar knieën voor mijn deurmat en snikte: ‘Het spijt me zo… We hebben je verkeerd behandeld… Je bent familie…’
Lotte huilde zachtjes in haar wiegje achter me. Ik voelde woede, maar ook medelijden – en ergens diep vanbinnen een sprankje triomf.
‘Misschien,’ zei ik langzaam, ‘verdienen sommige mensen een tweede kans… Maar verwacht niet dat alles weer wordt zoals vroeger.’
Die nacht zat ik bij Lotte’s wiegje en dacht na over alles wat er gebeurd was.
Waarom laten we anderen bepalen wat we waard zijn? Wanneer leren we eindelijk voor onszelf te kiezen?
Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?