Angst om de toekomst van mijn zoon: Het testament van mijn man en de familie-intriges die mijn leven verscheurden

‘Je liegt, Marieke! Dat huis was nooit alleen van Jeroen. Jij hebt hem overgehaald om alles op jouw naam te zetten!’

De stem van mijn schoonzus, Annelies, trilt van woede. Haar ogen schieten vuur terwijl ze tegenover me aan de keukentafel zit. Mijn handen beven om het kopje thee dat ik krampachtig vasthoud. Buiten tikt de regen tegen het raam, alsof het de spanning in huis probeert weg te spoelen, maar niets kan de kilte tussen ons verdrijven.

‘Annelies, alsjeblieft…’ Mijn stem klinkt schor. ‘Jeroen heeft het zelf zo geregeld. Ik heb hem gesmeekt om het anders te doen, maar hij wilde dat ik en Daan veilig zouden zijn, mocht hem iets overkomen.’

Ze slaat met haar vlakke hand op tafel. ‘Veilig? En wij dan? Zijn eigen broer, zijn ouders? Je denkt alleen aan jezelf!’

Ik voel hoe mijn hart samenknijpt. Sinds Jeroen’s dood, nu bijna acht maanden geleden, is mijn leven een draaikolk van verdriet en angst. Niet alleen om het verlies van mijn grote liefde, maar ook om wat er daarna kwam: de strijd om zijn nalatenschap. Het huis in Utrecht, de spaarrekening, zelfs zijn oude Volvo – alles is nu een bron van conflict.

Daan, mijn zoon van negen, zit boven op zijn kamer. Ik hoor zijn voetstappen soms zachtjes over het laminaat schuiven. Hij weet dat er beneden ruzie is, ook al probeer ik hem te beschermen tegen de lelijkheid van volwassen woorden.

Na Annelies’ vertrek blijf ik achter in een leeg huis dat niet meer als thuis voelt. Ik loop naar boven en open Daans deur. Hij zit op bed met zijn knuffelkonijn, zijn ogen rood van het huilen.

‘Gaat tante Annelies weer boos doen?’ vraagt hij zacht.

Ik kniel bij hem neer en sla mijn armen om hem heen. ‘Ze is verdrietig om papa. Net als wij. Maar alles komt goed, lieverd.’

Maar diep vanbinnen weet ik niet of dat waar is.

De weken verstrijken en de spanningen nemen toe. Mijn schoonouders sturen een brief via hun advocaat: ze eisen een deel van de erfenis op. Ze beweren dat Jeroen onder druk stond toen hij alles aan mij naliet. De brieven zijn koud en zakelijk, maar tussen de regels door voel ik hun teleurstelling en woede.

Mijn eigen ouders bellen me bijna dagelijks. Mijn moeder zegt: ‘Je moet sterk zijn, Marieke. Laat je niet gek maken door die familie.’ Maar haar stem trilt en ik hoor de angst die ze probeert te verbergen.

Op een avond zit ik met Daan aan tafel. Hij prikt in zijn aardappels zonder echt te eten.

‘Mama, gaan we hier weg?’ vraagt hij ineens.

Ik schrik van zijn vraag. ‘Waarom denk je dat?’

‘Omdat iedereen boos is. Omdat ze zeggen dat het huis niet van ons is.’

Ik slik en probeer mijn tranen te verbergen. ‘Dit is ons huis, Daan. Papa wilde dat we hier veilig zouden zijn.’

Maar zelfs terwijl ik het zeg, weet ik niet of ik het kan waarmaken. De advocaat zegt dat het maanden kan duren voordat alles is opgelost – als het ooit al goedkomt.

’s Nachts lig ik wakker in bed. Ik hoor elk geluid in huis: het kraken van de trap, het zachte gesnurk van Daan door de muur heen. Mijn gedachten razen. Wat als ze gelijk krijgen? Wat als we alles verliezen?

Op een dag krijg ik een telefoontje van mijn schoonmoeder. Haar stem klinkt zachter dan anders.

‘Marieke… kunnen we praten? Zonder advocaten?’

We spreken af in een café aan de Oudegracht. Ze zit er al als ik binnenkom, haar handen gevouwen om een kop koffie.

‘Ik mis Jeroen zo,’ zegt ze zonder omwegen.

‘Ik ook,’ fluister ik.

Ze kijkt me lang aan. ‘We willen geen ruzie maken. Maar het voelt alsof we hem kwijt zijn – niet alleen door zijn dood, maar ook omdat alles nu bij jou ligt.’

Ik knik langzaam. ‘Ik snap het. Maar geloof me alsjeblieft: ik wil niemand buitensluiten. Ik wil alleen Daan beschermen.’

Ze pakt mijn hand vast – voor het eerst sinds maanden voel ik iets van verbinding.

Maar als ik thuiskom, ligt er weer een brief van de advocaat op de mat.

De maanden slepen zich voort in onzekerheid. Ik probeer Daan zo normaal mogelijk naar school te laten gaan, speel met hem in het park, help hem met zijn huiswerk. Maar elke dag voel ik de druk toenemen.

Op een avond barst ik uit tegen mijn moeder aan de telefoon.

‘Waarom kunnen ze me niet gewoon met rust laten? Waarom zien ze niet dat Jeroen dit zo wilde?’

Mijn moeder zucht diep. ‘Omdat mensen rouwen op hun eigen manier, Marieke. En soms wordt verdriet vermomd als boosheid of jaloezie.’

Die nacht droom ik van Jeroen. Hij staat in onze tuin, lacht naar mij en Daan terwijl hij bloemen plant onder de appelboom die we samen hebben gekocht toen Daan werd geboren.

‘Het komt goed,’ zegt hij in mijn droomstem.

Maar als ik wakker word, is hij weg – en blijft alleen de leegte achter.

De rechtszaak sleept zich voort tot diep in de herfst. Op een regenachtige ochtend sta ik met Daan bij de bushalte als Annelies plotseling naast ons staat.

‘Mag ik even met je praten?’ vraagt ze schor.

Ik knik voorzichtig en stuur Daan alvast naar de bus.

Annelies kijkt me aan met rode ogen. ‘Het spijt me,’ fluistert ze dan ineens. ‘Ik ben zo boos geweest… maar eigenlijk ben ik gewoon bang om Jeroen helemaal kwijt te raken.’

Er valt een stilte tussen ons waarin alleen het geluid van vallende regen hoorbaar is.

‘Misschien kunnen we samen iets doen voor Daan,’ zegt ze dan zachtjes. ‘Zodat hij weet dat hij nog familie heeft.’

Voor het eerst in maanden voel ik hoop opborrelen tussen alle pijn en onzekerheid.

De rechtszaak eindigt uiteindelijk in mijn voordeel – het testament blijft staan zoals Jeroen het heeft gewild. Maar de littekens blijven; relaties zijn beschadigd, vertrouwen is gebroken.

Toch probeer ik langzaam bruggen te bouwen. Ik nodig Annelies uit voor Daans verjaardag, ga met mijn schoonouders naar zijn voetbalwedstrijd. Het is ongemakkelijk, soms pijnlijk, maar ergens groeit er iets nieuws tussen ons: begrip misschien, of tenminste acceptatie.

’s Avonds zit ik met Daan op de bank terwijl hij tegen me aan kruipt.

‘Mama?’ vraagt hij slaperig.

‘Ja, lieverd?’

‘Blijven we hier altijd wonen?’

Ik kijk naar hem en voel tranen prikken achter mijn ogen – niet van verdriet deze keer, maar van opluchting en hoop.

‘Ja,’ zeg ik zachtjes. ‘Dit is ons thuis.’

En terwijl ik hem vasthoud vraag ik me af: Hoeveel pijn kunnen families elkaar aandoen uit liefde en angst? En hoe vind je ooit weer rust na zo’n storm?