Het huis waar broeken verboden zijn
‘Mark, je weet toch dat je je schoenen uit moet doen?’ Kinga’s stem klinkt streng, maar haar ogen twinkelen als ze de deur voor me opent. Ik sta op de drempel, mijn natte sneakers druipen op de kokosmat. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Waarom ben ik hier eigenlijk? Ik heb mezelf gezworen nooit meer een relatie aan te gaan. Nooit meer dat gevecht, die pijn, die eindeloze discussies over niets en alles.
‘Sorry,’ mompel ik, terwijl ik mijn schoenen uit trap. Mijn sokken zijn doorweekt. Kinga lacht zachtjes en wijst naar een rekje met pantoffels. ‘Hier, trek deze aan. In mijn huis geen schoenen, geen broeken, geen gedoe.’
Ik kijk haar verbaasd aan. ‘Geen broeken?’
Ze knikt. ‘Het is een traditie. Iedereen draagt hier een joggingbroek of een pyjamabroek. Het leven is al stijf genoeg buiten deze muren.’
Ik grinnik ongemakkelijk en trek een slobberige grijze broek aan die ze me aanreikt. Het voelt vreemd, kwetsbaar zelfs, om zo binnen te stappen in haar wereld. Maar ergens is het ook bevrijdend.
De woonkamer ruikt naar verse koffie en iets zoets – appeltaart misschien. Op de bank zit haar dochtertje, Lotte, met haar knuffelkonijn. Ze kijkt me nieuwsgierig aan.
‘Mama, wie is dat?’
Kinga glimlacht. ‘Dat is Mark, schat. Een vriend.’
Vriend. Dat woord voelt als een koude douche. Ben ik dat? Of ben ik gewoon iemand die zijn eigen eenzaamheid probeert te ontvluchten?
We drinken koffie aan de keukentafel. Kinga praat over haar werk als verpleegkundige in het ziekenhuis in Amersfoort, over nachtdiensten en slapeloze nachten. Ik luister, maar mijn gedachten dwalen af naar mijn eigen verleden.
Mijn ex-vrouw, Saskia, schreeuwend in de gang toen ik mijn koffers pakte. Mijn zoon Daan, die zich verstopte achter de deur omdat hij niet wilde kiezen tussen zijn ouders. De stilte in mijn flatje daarna – alleen het getik van de regen tegen het raam.
‘Mark?’ Kinga’s hand raakt de mijne. ‘Waar ben je met je hoofd?’
Ik schrik op. ‘Sorry, ik… Het is gewoon even wennen allemaal.’
Ze knikt begrijpend. ‘Je hoeft niet te praten als je niet wilt.’
Maar ik wil juist praten. Ik wil schreeuwen dat ik bang ben om weer gekwetst te worden, dat ik mezelf niet vertrouw in de liefde. Maar de woorden blijven steken in mijn keel.
Lotte komt bij ons zitten en begint te vertellen over school. Ze heeft ruzie gehad met haar beste vriendin omdat die haar pop had afgepakt. Kinga luistert geduldig en geeft haar dochter een knuffel.
‘Zie je wel,’ zegt Lotte met een pruillipje, ‘soms zijn mensen gewoon stom.’
Ik glimlach flauwtjes. ‘Daar heb je gelijk in.’
De avond valt en Kinga vraagt of ik wil blijven eten. Ik twijfel – alles in mij schreeuwt dat ik moet gaan, dat ik niet te dichtbij mag komen. Maar ik blijf.
Tijdens het eten – stamppot boerenkool met worst – voel ik me langzaam ontdooien. Kinga vertelt over haar jeugd in Utrecht, over haar ouders die altijd ruzie hadden maar toch bij elkaar bleven ‘voor de kinderen’. Ik herken mezelf in haar verhalen.
‘Denk je dat het ooit anders kan?’ vraag ik zachtjes.
Kinga kijkt me aan, haar ogen donker in het schemerlicht. ‘Ik weet het niet. Maar ik wil het proberen.’
Na het eten help ik met afwassen. Lotte springt rond in haar pyjama en zingt liedjes van Kinderen voor Kinderen. Het voelt bijna als een gewoon gezin – iets wat ik dacht nooit meer te zullen ervaren.
Plots gaat mijn telefoon. Het is Saskia.
‘Mark, kun je morgen Daan ophalen? Hij wil met je praten.’ Haar stem klinkt gespannen.
‘Is er iets gebeurd?’ vraag ik bezorgd.
‘Hij heeft problemen op school… Ik weet het niet meer met hem.’
Mijn maag draait om. Daan was altijd gevoelig, snel van slag sinds de scheiding.
‘Ik kom morgen,’ beloof ik.
Kinga kijkt me vragend aan als ik ophang.
‘Mijn zoon…’ begin ik.
Ze knikt begrijpend. ‘Je hoeft het niet uit te leggen.’
Die nacht slaap ik op de bank in Kinga’s woonkamer. Ik staar naar het plafond en luister naar het zachte ademhalen van moeder en dochter boven me. Mijn hoofd maalt: Kan ik dit? Kan ik opnieuw beginnen zonder mezelf te verliezen?
De volgende ochtend rijd ik naar Saskia’s huis in Hilversum. Daan zit op zijn kamer, verstopt onder zijn dekbed.
‘Pap?’ klinkt zijn stem schor als ik binnenkom.
‘Hé jongen,’ zeg ik zachtjes en ga naast hem zitten.
Hij draait zich langzaam om en kijkt me aan met rode ogen.
‘Waarom ben je weggegaan?’ vraagt hij ineens.
Mijn hart breekt opnieuw, net als die dag maanden geleden.
‘Omdat mama en ik niet meer gelukkig waren samen,’ zeg ik voorzichtig.
‘Maar waarom moest jij dan weg? Waarom kon jij niet blijven?’
Ik slik moeizaam. ‘Soms… Soms is liefde niet genoeg om samen te blijven.’
Daan snikt zachtjes en kruipt tegen me aan. Ik houd hem stevig vast en voel hoe mijn eigen tranen branden achter mijn ogen.
Later die dag rijden we samen terug naar mijn flatje. Daan zegt weinig, maar zijn hand blijft stevig in de mijne liggen tijdens de autorit.
Als we aankomen, zie ik tot mijn verbazing Kinga voor de deur staan met Lotte aan haar hand en een tas vol boodschappen.
‘We dachten dat jullie misschien wel samen wilden eten,’ zegt ze verlegen.
Daan kijkt haar onderzoekend aan, dan naar mij.
‘Is zij je vriendin?’ vraagt hij botweg.
Ik aarzel even, maar knik dan langzaam.
‘Misschien wel,’ zeg ik eerlijk.
Daan haalt zijn schouders op en loopt naar binnen. Lotte volgt hem nieuwsgierig – twee kinderen die elkaar nog niet kennen, maar misschien wel vrienden kunnen worden.
Tijdens het eten is het ongemakkelijk stil. Daan prikt wat in zijn aardappels; Lotte probeert hem aan het lachen te maken met flauwe grapjes.
Na het eten ruimt Kinga af terwijl ik met Daan op de bank zit.
‘Vind je het erg als zij hier is?’ vraag ik voorzichtig.
Daan haalt zijn schouders op. ‘Weet niet… Alles is anders nu.’
Ik knik begrijpend. ‘Voor mij ook.’
Die avond liggen we samen op de bank te kijken naar oude afleveringen van Bassie & Adriaan. Daan lacht eindelijk weer eens hardop om hun gekke fratsen.
Kinga komt erbij zitten en legt haar hand op mijn knie. Voor het eerst sinds lange tijd voel ik hoop – misschien kan dit werken, als we allemaal maar durven proberen.
Maar diep vanbinnen blijft de angst knagen: Wat als het misgaat? Wat als ik opnieuw alles kwijtraak?
Toch kijk ik naar Daan en Lotte die samen een toren bouwen van kussens en denk: Misschien is geluk gewoon durven vallen – zonder schoenen, zonder broeken, zonder maskers.
Durven jullie dat ook? Of houden we allemaal liever onze schoenen aan uit angst voor wat er kan gebeuren?