“Ik heb je niet opgevoed om andermans dochter te zijn”: Mijn strijd tussen twee families

‘Dus jij kiest nu voor háár in plaats van voor mij?’ De stem van mijn moeder trilt, haar handen klemmen zich om het theekopje alsof ze het elk moment kan breken. Ik sta in haar kleine keuken in Utrecht, de geur van oude jasmijn vermengd met de bittere spanning tussen ons. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Mam, het is niet kiezen…’ probeer ik, maar ze onderbreekt me. ‘Ik heb je niet opgevoed om andermans dochter te zijn, Anne!’

Haar woorden snijden dieper dan ik wil toegeven. Ik ben 34, getrouwd met Jeroen, moeder van twee kinderen, en nu – sinds een paar maanden – mantelzorger voor zijn moeder, mevrouw Van Dijk. Ze heeft Parkinson en woont alleen in een rijtjeshuis in Amersfoort. Jeroen werkt fulltime bij de gemeente, en de kinderen zijn druk met school en sport. Dus ben ik degene die elke dag na mijn werk naar haar toe rijdt, haar helpt met eten, medicijnen, soms zelfs met aankleden. Mijn eigen moeder vindt dat onbegrijpelijk.

‘Je vader heeft ons verlaten toen jij zes was,’ zegt ze zacht, bijna fluisterend nu. ‘Ik heb alles voor jou opgegeven. En nu… nu ben ik alleen.’

Ik weet dat ze gelijk heeft. Ze heeft me opgevoed met weinig geld, veel liefde en nog meer zorgen. Maar nu voel ik me verscheurd tussen haar verwachtingen en de realiteit van mijn leven. ‘Mam,’ zeg ik, ‘ik doe dit niet omdat ik jou minder liefheb. Maar Jeroens moeder heeft niemand anders.’

Ze kijkt me aan met ogen vol verdriet en iets wat op jaloezie lijkt. ‘En ik dan? Wie zorgt er straks voor mij?’

Die vraag blijft hangen als een koude mist als ik die avond naar huis fiets. De regen slaat tegen mijn jas, mijn gedachten razen. Thuis tref ik Jeroen aan de keukentafel, verdiept in zijn laptop. ‘Hoe was het bij je moeder?’ vraagt hij zonder op te kijken.

‘Niet best,’ zeg ik kortaf. Hij merkt het niet eens. De kinderen roepen om aandacht, de wasmachine piept, en mijn telefoon trilt: een appje van mijn schoonmoeder. “Anne, kun je morgen wat soep meenemen?”

Ik voel me leeggezogen. Alsof iedereen iets van mij wil en niemand vraagt hoe het met míj gaat.

De volgende dag op mijn werk – ik ben docent Nederlands op een middelbare school – merk ik dat ik kortaf reageer op leerlingen. Mijn collega Sanne vraagt of alles goed gaat. Ik glimlach flauwtjes en zeg: ‘Druk thuis.’ Ze knikt begrijpend; zij zorgt voor haar zieke vader.

’s Avonds aan tafel barst het los. Jeroen zegt: ‘Mam belt steeds vaker. Misschien moet ze toch naar een verzorgingshuis.’

‘Dat wil ze niet,’ zeg ik felder dan bedoeld.

‘Maar jij kunt dit niet blijven doen, Anne,’ zegt hij zacht.

‘En wie dan wel? Jij? Je zus? Die woont in Groningen en laat nooit wat horen!’

De kinderen kijken verschrikt op. Ik schaam me meteen voor mijn uitbarsting.

Later die avond bel ik mijn moeder om sorry te zeggen voor onze ruzie. Ze neemt niet op. Ik stuur een bericht: “Sorry mam, ik hou van je.” Geen reactie.

De dagen erna word ik heen en weer geslingerd tussen schuldgevoel en boosheid. Waarom moet ík altijd alles oplossen? Waarom begrijpt niemand hoe zwaar dit is?

Op een zondagmiddag ga ik met tegenzin naar mijn schoonmoeder. Ze zit in haar stoel bij het raam, haar handen trillen als ze me aankijkt. ‘Je ziet er moe uit, meisje,’ zegt ze zacht.

Ik knik alleen maar.

‘Je moeder belt me soms,’ zegt ze ineens.

Ik kijk op, verbaasd.

‘Ze maakt zich zorgen om jou.’

Er valt een stilte waarin alles samenkomt: de pijn van mijn moeders eenzaamheid, de last van de zorg voor mijn schoonmoeder, het onbegrip van Jeroen, het gevoel dat ik mezelf verlies in het zorgen voor anderen.

‘Waarom belt u haar?’ vraag ik uiteindelijk.

Ze glimlacht flauwtjes. ‘Omdat we allebei van jou houden.’

Die avond zit ik op bed met Jeroen naast me. ‘Ik weet niet meer wie ik moet zijn,’ fluister ik.

Hij slaat zijn arm om me heen. ‘Je hoeft niet alles alleen te doen.’

Maar zo voelt het wel.

Een week later krijg ik een telefoontje van de huisarts: mijn moeder is gevallen in huis. Ze ligt in het ziekenhuis met een gebroken heup. Ik ren erheen, voel paniek en schuld tegelijk. In het ziekenhuis zie ik haar liggen, klein en kwetsbaar onder het witte laken.

‘Anne…’ zegt ze zwakjes als ze me ziet.

Ik pak haar hand vast en voel tranen branden achter mijn ogen.

‘Het spijt me mam,’ fluister ik.

Ze knijpt zachtjes in mijn hand. ‘Ik ben gewoon bang om je kwijt te raken.’

We huilen samen, eindelijk zonder verwijten of verwachtingen.

De weken daarna zorg ik voor haar én voor mijn schoonmoeder. Jeroen neemt vrij van werk om te helpen; zijn zus komt eindelijk over uit Groningen. Langzaam ontstaat er iets wat lijkt op balans – of misschien is het gewoon berusting.

Op een avond zit ik alleen aan tafel en kijk naar foto’s uit mijn jeugd: mijn moeder en ik op het strand van Scheveningen, lachend ondanks alles wat we misten. Ik denk aan alles wat ze heeft opgeofferd, aan alles wat ik nu zelf moet geven.

Waar ligt de grens tussen zorgen uit liefde en jezelf verliezen? Wanneer mag je kiezen voor jezelf zonder dat iemand zich verraden voelt?

Misschien is dat wel de echte vraag die we allemaal moeten stellen: hoe blijf je trouw aan jezelf als iedereen iets anders van je verwacht?