Hart op de Tong: Een Levensverhaal tussen Hoop en Opoffering

‘Waarom doe je dit, Marieke? Denk je nou echt dat je de wereld kunt redden?’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik door de lege gang van het UMC Utrecht loop. Mijn handen trillen. Ik probeer haar blik te vergeten, die mengeling van angst en teleurstelling. Maar haar woorden blijven steken als een graat in mijn keel.

Het begon allemaal op een regenachtige dinsdag in maart. Ik was net klaar met mijn nachtdienst op de spoedeisende hulp. Mijn collega’s lachten om een flauwe grap van Jeroen, maar ik kon alleen maar denken aan het meisje dat die nacht was binnengebracht. Ze heette Sophie, negen jaar oud, haar huid grauw, haar ogen groot en angstig. Haar moeder, een vrouw met wallen onder haar ogen en trillende handen, had me aangekeken alsof ik een wonder kon verrichten.

‘Ze heeft een nieuwe nier nodig,’ fluisterde ze. ‘Ze zeggen dat het anders niet lang meer duurt.’

Die nacht lag ik wakker. Mijn vriend Bas lag naast me te snurken, onwetend van de storm in mijn hoofd. Ik dacht aan Sophie’s ogen, aan haar moeder die haar hand vasthield alsof ze haar nooit meer zou loslaten. Ik dacht aan mijn eigen jeugd, aan de keren dat mijn moeder me vasthield als ik bang was voor onweer. Wat als ik iets kon doen? Echt iets?

De weken daarna werd Sophie een vast gezicht op de afdeling. Ze tekende bloemen op haar infuuszakken en vroeg me elke ochtend of ik al koffie had gehad. ‘Koffie is belangrijk, hè zuster Marieke?’ zei ze dan met een scheef glimlachje.

Op een dag, toen ik haar moeder troostte na weer een slecht nieuws gesprek met de artsen, hoorde ik mezelf zeggen: ‘Wat als… wat als ik laat testen of ik een match ben?’

De stilte die volgde was oorverdovend. Haar moeder begon te huilen. Ik voelde me licht in mijn hoofd, alsof ik boven mezelf zweefde.

Thuis vertelde ik het aan Bas. Hij keek me aan alsof ik gek was geworden.

‘Je gaat toch niet zomaar je nier geven aan iemand die je nauwelijks kent? Wat als er iets misgaat? Wat als wij later kinderen willen en jij hebt maar één nier?’

‘Bas, dit meisje heeft niemand anders. Haar vader is weg, haar moeder is uitgeput. Ik kan niet gewoon toekijken.’

‘En je moeder dan? Je weet hoe zij is met dit soort dingen.’

Ik wist het inderdaad. Mijn moeder had altijd al moeite gehad met mijn keuzes. Toen ik besloot verpleegkundige te worden in plaats van advocaat zoals mijn broer Daan, had ze weken niet met me gepraat.

Toch liet het me niet los. De tests begonnen. Bloedprikken, gesprekken met psychologen, eindeloze formulieren. Elke keer als ik Sophie zag, voelde ik me zekerder van mijn beslissing.

Tot de dag dat mijn moeder erachter kwam.

Ze stond onaangekondigd voor mijn deur, haar jas nog nat van de regen.

‘Marieke, wat is dit voor onzin? Je hebt een goed leven! Waarom zou je dat op het spel zetten voor een wildvreemde?’

‘Mam, het is niet zomaar iemand. Ze is nog maar een kind.’

‘En jij bent mijn kind! Denk je dat ik het aankan als er iets met jou gebeurt?’

We schreeuwden tegen elkaar tot de buren op de muur bonsden. Uiteindelijk vertrok ze huilend. Ik bleef achter met een schuldgevoel dat zwaarder woog dan ooit tevoren.

De operatie kwam dichterbij. Bas werd stiller, afstandelijker. Op een avond zat hij aan tafel met zijn jas al aan.

‘Ik kan dit niet meer, Marieke. Je kiest altijd voor anderen, nooit voor ons.’

Hij vertrok zonder om te kijken.

De ochtend van de operatie was stil en grijs. Mijn moeder stuurde een bericht: ‘Ik hou van je, maar ik snap je niet.’ Daan belde: ‘Je bent dapper, zusje. Maar wees voorzichtig.’

In het ziekenhuis voelde alles plotseling heel echt. De geur van ontsmettingsmiddel, het zachte gezoem van apparaten, het gefluister van verpleegkundigen. Sophie’s moeder pakte mijn hand vast voordat ik naar de operatiekamer werd gereden.

‘Dankjewel,’ fluisterde ze. ‘Je redt haar leven.’

De operatie verliep goed, zeiden ze later. Ik werd wakker met pijn in mijn zij en tranen in mijn ogen. Sophie lag een paar kamers verderop, haar moeder stuurde foto’s van haar eerste glimlach zonder slangetjes.

Maar thuis was alles anders. Mijn moeder kwam langs met soep en bloemen, maar we praatten vooral over het weer. Bas bleef weg. Mijn vrienden wisten niet goed wat ze moesten zeggen; sommigen vonden me heldhaftig, anderen onverantwoordelijk.

De weken werden maanden. Sophie herstelde langzaam, stuurde me tekeningen van bloemen en zonnen via de post. Maar in mij groeide een leegte die ik niet had verwacht. Ik miste Bas, zijn flauwe grappen en warme armen om me heen na een lange dienst. Ik miste zelfs de ruzies met mijn moeder over kleine dingen.

Op een dag stond Daan voor de deur met zijn dochtertje op zijn arm.

‘Weet je nog hoe we vroeger hutten bouwden in het bos?’ vroeg hij plotseling.

Ik knikte.

‘Jij was altijd degene die iedereen bij elkaar hield als we ruzie hadden.’

Hij keek me aan met diezelfde serieuze blik als vroeger.

‘Misschien moet je jezelf ook eens bij elkaar houden.’

Die nacht lag ik wakker en dacht na over alles wat ik had verloren – en gewonnen. Was het het waard geweest? Had ik echt gekozen uit liefde of uit een diepgewortelde drang om nodig te zijn?

Sophie kwam op bezoek met haar moeder op een zonnige lentedag. Ze rende naar me toe en omhelsde me zo stevig dat het pijn deed aan mijn litteken.

‘Dankjewel dat je mij niet hebt laten verdwijnen,’ fluisterde ze.

Ik glimlachte door mijn tranen heen.

Nu zit ik hier, kijkend naar de lege stoel waar Bas altijd zat tijdens het avondeten. Mijn moeder belt vaker dan ooit, maar we praten nog steeds om de hete brij heen.

Heb ik het juiste gedaan? Of heb ik meer kapotgemaakt dan gered? Soms vraag ik me af: hoeveel mag je geven voordat je jezelf verliest?