Als liefde pijn doet: Mijn weg van angst naar vrijheid

‘Waarom ben je wéér zo laat, Eva?’ Jeroen’s stem snijdt door de stilte van onze woonkamer. Zijn ogen zijn donker, zijn kaken gespannen. Ik voel mijn hartslag in mijn keel kloppen terwijl ik mijn jas ophang. ‘De trein had vertraging,’ mompel ik, hopend dat hij het erbij laat.

‘Altijd een excuus. Je weet dat ik het niet prettig vind als je zomaar wegblijft.’ Zijn stem klinkt nu zachter, maar de dreiging blijft hangen. Ik slik. In mijn hoofd herhaal ik de woorden die ik mezelf elke dag voorhoud: Het is niet jouw schuld. Je mag bestaan. Je mag leven.

Toen ik Jeroen leerde kennen, was ik twintig en studeerde ik psychologie in Utrecht. Hij was charmant, attent, en wist altijd precies wat ik nodig had – of dat dacht ik tenminste. Mijn moeder, Marijke, zei altijd: ‘Eva, je moet iemand vinden die je laat lachen.’ Maar Jeroen liet me vooral twijfelen aan mezelf.

De eerste maanden waren als een droom. We fietsten samen langs de grachten, dronken wijn op zijn balkon in Amersfoort, lachten om flauwe grappen. Maar langzaam veranderde er iets. Hij begon te vragen met wie ik afsprak, waarom ik zo lang op de universiteit bleef. ‘Ik wil gewoon weten waar je bent,’ zei hij dan, ‘dat is toch normaal?’

Ik geloofde hem. Ik wilde hem gelukkig maken, koste wat kost. Dus paste ik me aan. Minder uitgaan met vriendinnen, sneller naar huis na college. Mijn beste vriendin Sanne merkte het als eerste op. ‘Je bent veranderd, Eva,’ zei ze tijdens een lunch in De Uithof. ‘Je lacht minder.’

‘Het is gewoon druk,’ loog ik. Maar diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had.

Na ons huwelijk werd het erger. Jeroen wilde weten wat ik uitgaf, met wie ik sprak, zelfs wat ik dacht. Als ik iets verkeerds zei, werd hij stil en koud. Soms schreeuwde hij; soms negeerde hij me dagenlang. Ik voelde me steeds kleiner worden.

‘Waarom laat je hem zo met je omgaan?’ vroeg Sanne op een avond toen we stiekem in een café zaten. Ik keek naar mijn handen, naar de ring die ooit symbool stond voor liefde en nu voelde als een ketting.

‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik. ‘Misschien omdat ik bang ben alleen te zijn.’

Mijn ouders zagen het ook. Mijn vader, Kees, probeerde voorzichtig te zijn. ‘Je bent altijd welkom thuis, meisje,’ zei hij als we belden. Maar mijn moeder was directer: ‘Dit is geen liefde, Eva. Dit is controle.’

Ik verdedigde Jeroen altijd. ‘Hij bedoelt het goed,’ zei ik tegen iedereen – en vooral tegen mezelf.

Tot die ene avond in november. Het regende hard; de wind sloeg tegen de ramen van ons huis in Amersfoort. Ik kwam thuis na een lange dag werken bij de bibliotheek en vond Jeroen op de bank, starend naar zijn telefoon.

‘Waar was je?’ vroeg hij zonder op te kijken.

‘Ik moest overwerken,’ zei ik zacht.

Hij sprong op en gooide zijn telefoon op tafel. ‘Altijd hetzelfde! Je liegt tegen me!’

Voor het eerst voelde ik iets breken in mezelf. Ik keek hem aan en zei: ‘Ik lieg niet. Ik ben moe, Jeroen. Moe van alles uitleggen.’

Hij schreeuwde nog wat, maar zijn woorden kwamen niet meer binnen. Die nacht sliep ik op de bank, terwijl hij boven lag.

De volgende ochtend pakte ik mijn tas en liep zonder ontbijt de deur uit. Op weg naar mijn werk belde ik Sanne.

‘Ik kan niet meer,’ snikte ik in de telefooncel bij het station.

‘Kom naar mij toe,’ zei ze meteen.

Die avond zat ik bij haar aan de keukentafel, met een kop thee tussen mijn trillende handen.

‘Je hoeft niet terug,’ zei Sanne zacht.

Maar het was niet zo makkelijk. Mijn hoofd zat vol schuldgevoelens en angst. Wat zouden mensen zeggen? Wat als Jeroen boos werd? Wat als ik écht alleen bleef?

Toch bleef ik bij Sanne slapen die nacht – en de nacht daarna ook.

Jeroen stuurde berichten: ‘Kom terug.’ ‘We kunnen praten.’ ‘Zonder jou ben ik niets.’

Mijn moeder belde: ‘We zijn trots op je.’ Mijn vader kwam langs met stroopwafels en een dikke knuffel.

Langzaam begon ik weer te ademen.

Na een week stuurde Jeroen een lange mail vol verwijten en smeekbedes. Ik las hem drie keer en huilde om alles wat verloren was – of misschien nooit echt had bestaan.

Met hulp van Sanne en mijn ouders vond ik een klein appartementje in Utrecht. Het was oud en gehorig, maar het was van mij. De eerste nacht lag ik wakker in mijn nieuwe bed en luisterde naar de geluiden van de stad.

Vrijheid klinkt als trams die voorbijrijden om drie uur ’s nachts, dacht ik.

De maanden daarna waren zwaar. Soms miste ik Jeroen – of eigenlijk het idee van hem, van samenzijn. Maar steeds vaker voelde ik ook trots: op elke dag dat ik zelf besliste wat ik deed, wie ik zag, hoe laat ik thuiskwam.

Op een dag stond Sanne voor de deur met bloemen.

‘Je straalt weer,’ zei ze lachend.

Ik glimlachte terug en voelde voor het eerst in jaren dat ze gelijk had.

Nu, twee jaar later, werk ik nog steeds in de bibliotheek en studeer ik parttime verder. Mijn ouders komen vaak langs; Sanne is nog steeds mijn rots in de branding.

Soms denk ik terug aan die eerste jaren met Jeroen – aan hoe makkelijk liefde kan omslaan in angst zonder dat je het doorhebt.

Was het laf om weg te gaan? Of juist moedig?

Misschien is echte liefde wel dat je jezelf niet verliest – zelfs niet voor iemand van wie je denkt te houden.

Wat denken jullie? Wanneer is het tijd om voor jezelf te kiezen? Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken?