Vergeten in de Stilte: Het Verhaal van een Grootmoeder

‘Waarom bellen ze niet? Het is woensdagavond, ze weten dat ik dan altijd thuis ben.’ Mijn stem klinkt schor in de lege woonkamer. De klok tikt luid, elke seconde een herinnering aan de stilte die zich als een koude deken over mij uitspreidt. Ik staar naar mijn telefoon, hopend op een berichtje van Marieke of Tom. Maar het scherm blijft zwart.

Vroeger was het hier nooit stil. De geur van pannenkoeken, het gelach van kleine kindervoetjes op het laminaat, de stemmen van mijn kinderen die riepen: ‘Mam, kun je even helpen?’ Ik was altijd nodig. Altijd aanwezig. Toen Marieke haar eerste kindje kreeg, stond ik dag en nacht klaar. ‘Mam, zonder jou zou ik het niet redden,’ zei ze dan, haar ogen vochtig van dankbaarheid. Tom bracht zijn tweeling elke vrijdagmiddag. ‘Even bij oma spelen, dat vinden ze zo leuk.’

Nu zijn de kinderen groot. De kleinkinderen puberen, hebben hun eigen vrienden en schermen. Marieke werkt fulltime bij het ziekenhuis in Utrecht, Tom is verhuisd naar Groningen voor zijn baan bij de gemeente. ‘Druk, druk, druk,’ zeggen ze als ik voorzichtig vraag wanneer ze weer langskomen. ‘We bellen snel, mam.’ Maar snel wordt weken, soms maanden.

Afgelopen kerst was het huis nog vol. Marieke kwam met haar man en kinderen, Tom met zijn vrouw en de tweeling. Ik had alles uit de kast gehaald: rollade, stoofpeertjes, zelfgemaakte appeltaart. Maar zelfs toen voelde ik het al: hun blikken op hun telefoons, gesprekken over werk en vakanties waar ik geen deel van uitmaak. Toen iedereen vertrok, bleef ik achter met stapels afwas en een leeg gevoel.

‘Rietje, je moet meer aan jezelf denken,’ zei mijn zus Ans laatst aan de telefoon. ‘Ga op yoga of zoiets.’ Maar wat moet ik met yoga als mijn hart zo zwaar is? Mijn leven draaide altijd om zorgen voor anderen. Nu weet ik niet meer wie ik ben zonder die rol.

Vanavond besluit ik Tom te bellen. Mijn handen trillen als ik zijn nummer intoets. Na vier keer overgaan neemt hij op.

‘Hoi mam! Alles goed?’

‘Ja hoor jongen,’ lieg ik. ‘Ik vroeg me af wanneer je weer eens langskomt.’

Er valt een stilte aan de andere kant.

‘Mam, het is nu zo druk met werk en de jongens hebben voetbaltoernooien… Misschien volgende maand?’

‘Natuurlijk lieverd,’ zeg ik zacht. ‘Laat maar weten.’

Als ik ophang, voel ik tranen prikken achter mijn ogen. Ik herinner me hoe Tom vroeger huilend bij me in bed kroop na een nachtmerrie. Hoe hij me vastpakte en zei: ‘Jij bent de liefste mama van de wereld.’ Waar is dat jongetje gebleven?

De dagen glijden voorbij in een sleur van koffiezetten, boodschappen doen bij de Albert Heijn en wandelingen door het park waar niemand mij groet. Soms zie ik andere oma’s met hun kleinkinderen op de schommel. Dan knijpt er iets in mijn borst.

Op een regenachtige zaterdag belt Marieke onverwacht aan.

‘Mam, mag ik even binnenkomen?’ Haar ogen staan onrustig.

‘Natuurlijk kind,’ zeg ik verbaasd.

Ze ploft neer op de bank en zucht diep.

‘Het spijt me dat ik zo weinig kom. Alles loopt door elkaar: werk, de kinderen, Bas… Soms weet ik niet meer waar mijn hoofd zit.’

Ik pak haar hand vast.

‘Je hoeft je niet te verontschuldigen. Maar soms voel ik me zo… overbodig.’

Marieke kijkt me aan, haar ogen vol schuldgevoel.

‘Mam, je hebt altijd alles voor ons gedaan. Misschien zijn we dat te veel als vanzelfsprekend gaan zien.’

Ik slik de brok in mijn keel weg.

‘Ik wil alleen maar af en toe horen hoe het met jullie gaat. Of even samen koffie drinken.’

Ze knikt langzaam.

‘Ik beloof dat we vaker komen. Echt waar.’

Maar beloften zijn als herfstbladeren in de wind; mooi om te zien, maar snel verdwenen.

De weken daarna verandert er weinig. Af en toe een appje – ‘Druk vandaag! Kus!’ – maar geen bezoekjes. Mijn zus Ans belt vaker en probeert me over te halen naar haar kaartclubje te komen.

‘Je moet niet wachten tot ze jou nodig hebben, Riet,’ zegt ze streng. ‘Jij mag er ook zijn.’

Op een avond besluit ik naar het kaartclubje te gaan. De vrouwen zijn vriendelijk, lachen om mijn onhandigheid met kaarten en vragen naar mijn kleinkinderen.

‘Ze zijn druk,’ zeg ik met een glimlach die niet helemaal echt voelt.

Na afloop loop ik door de regen naar huis. Voor het eerst in maanden voel ik iets van warmte in mijn borstkas – niet van familie, maar van mensen die gewoon luisteren.

Toch blijft het knagen: heb ik gefaald als moeder? Heb ik mijn kinderen te veel verwend? Of hoort dit gewoon bij ouder worden in Nederland – dat iedereen zijn eigen leven leidt en ouderen langzaam verdwijnen in de schaduw?

Soms fantaseer ik dat Marieke of Tom onverwacht aanbellen met bloemen of gewoon om samen te eten. Maar meestal blijft het stil.

Op een dag krijg ik een brief van Tom. Een echte brief, geen appje of mail.

‘Lieve mam,
Ik weet dat we elkaar weinig zien en dat doet me pijn. Je hebt ons alles gegeven wat je kon en nu lijkt het alsof we je vergeten zijn. Maar geloof me: je zit altijd in mijn hoofd en hart. Ik hoop dat je weet hoeveel we van je houden.
Liefs,
Tom’

Ik huil als ik de brief lees – van opluchting, verdriet en liefde tegelijk.

Misschien is dit ouder worden: leren loslaten wat was en accepteren wat is. Maar soms vraag ik me af: waarom voelt liefde geven soms als verliezen? En wie zorgt er voor de moeders als zij niet meer nodig zijn?