Mijn zoon wil trouwen en weer thuis komen wonen – wat moet ik doen?
‘Mam, ik meen het serieus. We hebben geen andere optie.’
De woorden van Daan galmen nog na in mijn hoofd terwijl ik naar het raam staar. Buiten druppelt de regen zachtjes tegen het glas, alsof de hemel meedoet met mijn sombere stemming. Mijn handen trillen een beetje als ik mijn kop thee vasthoud. Ik probeer zijn blik voor me te halen: vastberaden, maar ook een beetje wanhopig. Mijn oudste zoon, mijn Daan, die altijd zo zelfstandig leek, vraagt nu of hij met zijn verloofde bij mij en zijn jongere broer in ons kleine appartement mag komen wonen.
‘Mam, luister nou even,’ had hij gezegd, zijn stem net iets te luid voor de kleine woonkamer. ‘We hebben alles geprobeerd. We kunnen geen huis vinden, niet met onze inkomens. Het is maar tijdelijk, echt waar.’
Ik weet dat hij gelijk heeft. De huizenmarkt is krankzinnig. Zelfs een simpel tweekamerappartement in Utrecht is onbetaalbaar geworden voor jonge mensen zoals Daan en zijn vriendin Sophie. Maar ik voel de muren om me heen dichterbij komen bij het idee dat we straks met z’n vieren – of eigenlijk vijven, want Sophie’s hondje telt ook mee – in dit benauwde flatje moeten leven.
‘En wat zegt je broer ervan?’ had ik gevraagd, terwijl ik probeerde mijn stem neutraal te houden.
‘Timo vindt het prima,’ antwoordde Daan zonder aarzeling. Maar ik ken Timo beter dan wie dan ook. Mijn jongste is stil, gevoelig, en trekt zich snel terug als het hem te veel wordt. Sinds zijn vader ons verliet, is hij steeds meer in zichzelf gekeerd. Hij heeft zijn eigen kamer nodig, zijn eigen ruimte om te ademen.
Die avond lig ik wakker in bed. De regen is opgehouden, maar in mijn hoofd stormt het nog steeds. Ik denk terug aan de jaren dat ik alles alleen moest doen. Twee jongens opvoeden zonder partner, altijd geldzorgen, altijd schipperen tussen werk en gezin. En nu, nu ze eindelijk bijna uitvliegen, dreigt alles weer opnieuw te beginnen.
De volgende ochtend zit ik aan tafel met Timo. Hij roert zwijgend in zijn yoghurt.
‘Timo,’ begin ik voorzichtig, ‘Daan wil hier komen wonen met Sophie. Wat vind jij daarvan?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Maakt mij niet uit.’
Maar ik zie aan zijn ogen dat het hem wél uitmaakt. Zijn blik glijdt weg, zijn schouders trekken zich op alsof hij zich wil verstoppen.
‘Je mag eerlijk zijn tegen mij,’ zeg ik zacht.
Hij zucht diep. ‘Het is hier al zo druk soms. En… Sophie is aardig hoor, maar ze praat veel. En dat hondje…’
Ik knik begrijpend. ‘Ik weet het lieverd.’
Die middag belt mijn zus Marijke. Ze woont in Amersfoort en heeft altijd haar mening klaar.
‘Je moet gewoon nee zeggen,’ zegt ze fel. ‘Het is jouw huis. Je hebt recht op rust na al die jaren.’
‘Maar waar moeten ze dan heen?’ vraag ik zachtjes.
‘Dat is hun probleem, niet het jouwe.’
Ik voel me verscheurd tussen twee werelden: die van de moeder die altijd klaarstaat voor haar kinderen, en die van de vrouw die eindelijk eens aan zichzelf wil denken.
’s Avonds komt Daan langs met Sophie. Ze hebben bloemen meegenomen – tulpen, natuurlijk – en Sophie lacht haar stralende lach.
‘We willen echt niet lastig zijn,’ zegt ze terwijl ze haar jas ophangt. ‘We helpen mee met alles! Boodschappen, koken, schoonmaken…’
Daan kijkt me smekend aan. ‘Mam, alsjeblieft.’
We zitten samen aan tafel en bespreken de mogelijkheden. Misschien kunnen ze tijdelijk in de woonkamer slapen? Of misschien kan Timo bij mij op de kamer? Maar bij elke optie voel ik de spanning toenemen.
Na hun vertrek zit ik alleen op de bank. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Ik weet dat ik een keuze moet maken die iemand pijn gaat doen – misschien mezelf nog wel het meest.
De dagen daarna probeer ik afleiding te zoeken op mijn werk in het ziekenhuis. Maar zelfs tussen de patiënten door dwalen mijn gedachten steeds af naar thuis. Mijn collega Fatima merkt het op.
‘Je bent er niet helemaal bij vandaag,’ zegt ze bezorgd tijdens de lunchpauze.
Ik vertel haar alles. Ze luistert aandachtig en knikt begrijpend.
‘Je hoeft niet altijd alles voor iedereen op te lossen,’ zegt ze zachtjes. ‘Soms mag je ook voor jezelf kiezen.’
’s Avonds besluit ik een brief te schrijven aan Daan. Ik weet dat ik het hem niet recht in zijn gezicht kan zeggen zonder te breken.
Lieve Daan,
Ik hou van je en wil niets liever dan dat jij gelukkig bent met Sophie. Maar dit huis is te klein voor vier volwassenen (en een hondje). Ik ben bang dat we elkaar alleen maar in de weg gaan zitten en dat er spanningen ontstaan die onze band kunnen beschadigen. Ik hoop dat je begrijpt dat ik deze keuze maak uit liefde – voor jou, voor Timo en ook een beetje voor mezelf.
De volgende dag geef ik hem de brief als hij langskomt om wat spullen op te halen.
Hij leest hem zwijgend door, zijn kaak gespannen.
‘Dus je laat ons gewoon stikken?’ zegt hij uiteindelijk met gebroken stem.
Mijn hart breekt als ik hem zo zie staan – mijn grote jongen die ineens weer zo klein lijkt.
‘Nee lieverd,’ fluister ik terwijl ik hem omhels. ‘Ik laat je niet stikken. Maar soms moet liefde ook grenzen stellen.’
We huilen allebei. Timo komt erbij staan en slaat onhandig een arm om ons heen.
De weken daarna is het stil tussen Daan en mij. Hij zoekt minder contact, maar via Marijke hoor ik dat ze tijdelijk bij vrienden mogen logeren tot ze iets vinden.
Soms vraag ik me af of ik de juiste keuze heb gemaakt. Had ik toch moeten toegeven? Of heb ik eindelijk eens voor mezelf gekozen?
Nu zit ik hier aan tafel, kijkend naar een lege stoel waar Daan altijd zat. Mijn hart doet pijn van gemis, maar ergens voel ik ook rust – voor het eerst sinds jaren.
Hebben andere moeders deze strijd ook gevoerd? Wanneer mag je eindelijk aan jezelf denken zonder schuldgevoel? Wat zouden jullie doen als jullie in mijn schoenen stonden?