Onthulling in de Schaduw van Ziekte: Mijn Leven na Mark’s Vertrek
‘Waarom neem je niet gewoon op, Mark?’ Mijn stem trilt terwijl ik voor het raam sta, de telefoon in mijn hand geklemd. Buiten is het grijs, typisch Amsterdams weer, en de regen tikt als een eindeloze klok tegen het glas. De kinderen slapen eindelijk. Ik voel me leeg en tegelijk vol spanning, alsof er iets in mij knapt als ik nog langer wacht.
Mark is nu al vijf dagen weg. Hij zei dat hij naar zijn ouders in Haarlem moest, omdat hij zich niet lekker voelde. ‘Het is vast gewoon griep,’ zei hij, ‘maar ik wil jou en de kinderen niet aansteken.’ Ik knikte, want zo was Mark altijd: zorgzaam, bedachtzaam. Maar nu, met elke dag die voorbijgaat zonder een echt gesprek, groeit er iets donkers in mij.
De eerste nacht zonder hem was vreemd stil. Ik hoorde het huis ademen, de oude houten vloer die kraakte onder mijn voeten. Onze dochter Lotte van vier kroop bij me in bed. ‘Papa komt toch wel terug, mama?’ vroeg ze met haar grote blauwe ogen. ‘Natuurlijk, liefje,’ fluisterde ik, haar haar streelend. Maar zelfs toen voelde ik een steek van twijfel.
Op dag drie belde ik zijn moeder. ‘Hoe gaat het met Mark?’ vroeg ik, mijn stem zo luchtig mogelijk houdend. Ze klonk verrast. ‘Mark? Die is hier helemaal niet, lieverd. Is hij niet bij jullie?’ Mijn hart sloeg over. ‘Nee… hij zei dat hij bij jullie zou blijven tot hij beter was.’
Er viel een stilte aan de andere kant van de lijn. ‘Misschien is hij bij een vriend? Of op kantoor?’ probeerde ze voorzichtig. Maar ik wist beter. Mark werkte al weken thuis vanwege de pandemie. En vrienden? Hij had er niet veel.
Die avond zat ik aan de keukentafel, mijn handen om een kop thee gevouwen die allang koud was geworden. Mijn gedachten tolden. Waar was Mark? Waarom loog hij?
De dagen erna probeerde ik alles draaiende te houden. Lotte moest naar de opvang, onze zoon Bram van anderhalf had koorts en huilde veel. Mijn moeder belde elke dag: ‘Gaat het wel met je, schat?’ Ik loog: ‘Ja hoor, alles onder controle.’ Maar ondertussen voelde ik me verscheurd.
Op dag zeven kreeg ik een appje van Mark: ‘Maak je geen zorgen om mij. Ik heb tijd nodig om na te denken.’ Geen uitleg, geen excuses. Alleen die kille woorden.
Ik kon niet slapen die nacht. Mijn gedachten gingen terug naar de afgelopen maanden: de spanning tussen ons, zijn afstandelijkheid, hoe hij steeds vaker laat thuis kwam – of eigenlijk helemaal niet meer thuis kwam voor het avondeten. Had ik iets gemist? Had ik hem weggeduwd?
De volgende ochtend stond mijn schoonzus Marieke ineens voor de deur. Ze keek me aan met een blik vol medelijden en schuldgevoel. ‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze zacht.
We zaten samen aan tafel terwijl ze haar handen zenuwachtig om haar mok klemde. ‘Ik weet niet of ik dit moet zeggen… maar je hebt recht op de waarheid,’ begon ze. ‘Mark… hij is niet ziek. Hij is bij iemand anders.’
Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. ‘Wat bedoel je?’ Mijn stem klonk vreemd hoog.
‘Hij heeft al maanden contact met iemand die hij via zijn werk heeft leren kennen. Ze heet Sanne. Hij zegt dat hij tijd nodig heeft om na te denken over wat hij wil.’
Ik staarde haar aan, niet wetend wat te zeggen. Alles in mij schreeuwde dat het niet waar kon zijn – maar diep vanbinnen wist ik dat het klopte. De signalen waren er geweest; ik had ze alleen niet willen zien.
De dagen daarna leefde ik op de automatische piloot. Ik bracht de kinderen naar school en crèche, deed boodschappen bij de Albert Heijn op de hoek, lachte naar buren alsof er niets aan de hand was. Maar ’s avonds, als het huis stil werd en de kinderen sliepen, kwam alles keihard binnen.
Mark stuurde af en toe een berichtje over geldzaken of praktische dingen voor de kinderen, maar nooit over ons. Geen spijtbetuiging, geen uitleg – alleen afstand.
Mijn moeder kwam vaker langs om te helpen met de kinderen. Ze probeerde me op te beuren: ‘Je bent sterk, Anna. Je redt dit wel.’ Maar soms brak ik toch in haar armen, snikkend als een kind.
Op een avond zat ik met Lotte op schoot naar oude foto’s te kijken van vakanties in Zeeland en winters in Limburg bij opa en oma. Lotte wees naar een foto waar Mark haar hoog in de lucht hield op het strand. ‘Papa lacht daar zo mooi,’ zei ze zachtjes.
‘Ja,’ fluisterde ik, terwijl mijn hart brak.
Weken gingen voorbij zonder dat Mark thuiskwam of zelfs maar vroeg hoe het met ons ging. Ik voelde me verraden – niet alleen door hem, maar ook door mezelf omdat ik zo lang had geloofd in ons sprookje.
Op een dag stond Sanne ineens voor mijn deur – jonger dan ik, lang blond haar en een nerveuze glimlach. ‘Het spijt me zo,’ zei ze voordat ik iets kon zeggen. ‘Ik wist niet dat hij nog bij jou woonde…’
Ik wilde haar haten, maar toen ze daar zo stond – onzeker en verdrietig – voelde ik vooral medelijden. We praatten lang; zij huilde meer dan ik.
Na haar vertrek voelde ik me lichter, alsof er eindelijk ruimte kwam voor iets nieuws – misschien zelfs hoop.
Langzaam begon ik mijn leven opnieuw op te bouwen: nieuwe routines met de kinderen, steun van vrienden en familie, kleine momenten van geluk tussen alle chaos door.
Soms vraag ik me af of Mark ooit spijt zal krijgen van zijn keuzes – of dat hij überhaupt nog aan ons denkt als hij ’s avonds naast Sanne ligt.
Maar belangrijker: wanneer weet je zeker dat je iemand écht kent? En hoe vind je jezelf terug als alles wat je dacht te weten ineens wegvalt?