Mijn eigen zus? Dankjewel, ik hoef niet meer…
‘Nee, Sophie. Ik ga de deur niet open doen. Niet vandaag, niet morgen.’ Mijn stem trilt, maar ik blijf staan, mijn hand stevig op de koude deurklink. Aan de andere kant hoor ik haar zachte gesnik, het geluid dat me jarenlang heeft achtervolgd. ‘Alsjeblieft, Eva… Ik heb je nodig. Je bent mijn zus!’
Mijn hoofd bonkt. Hoe vaak heb ik deze scène al meegemaakt? Hoe vaak heb ik haar binnen gelaten, haar tranen gedroogd, haar problemen opgelost? Hoe vaak heb ik mezelf weggecijferd omdat ‘familie nu eenmaal familie is’? Maar vandaag niet meer. Vandaag is het genoeg.
Ik hoor haar voetstappen langzaam wegsterven in het trappenhuis van onze flat in Utrecht. De stilte die volgt is oorverdovend. Mijn hart bonkt nog steeds, maar nu van opluchting én schuldgevoel tegelijk. Ik loop naar de keuken, waar de geur van afgekoelde koffie hangt. Mijn handen trillen als ik het kopje oppak.
‘Mama, wie was dat?’ vraagt Bram, mijn zoon van acht, terwijl hij zijn boterham met hagelslag inspecteert alsof er een schat in verborgen zit.
‘Niemand lieverd,’ lieg ik. ‘Gewoon iemand die verkeerd was.’
Maar het is niet zomaar iemand. Het is Sophie, mijn jongere zus. De zus die altijd alles overhoop haalt en dan bij mij aanklopt om de scherven op te rapen. De zus die nooit volwassen lijkt te worden, die altijd weer in dezelfde valkuilen trapt – verkeerde mannen, verkeerde keuzes, verkeerde vrienden. En altijd ben ik degene die haar opvangt.
Het begon allemaal jaren geleden, toen onze ouders uit elkaar gingen. Sophie was pas twaalf en ik zestien. Onze moeder, Marijke, werkte dubbele diensten in het ziekenhuis en onze vader, Kees, verdween langzaam uit beeld. Ik werd de tweede moeder voor Sophie – haar troost, haar schouder om op te huilen, haar baken in de storm.
‘Eva, kun je Sophie ophalen van hockey? Ik moet werken.’
‘Eva, kun je Sophie helpen met haar huiswerk?’
‘Eva, kun je Sophie uitleggen waarom papa niet komt?’
Altijd Eva. Altijd ik.
Toen we volwassen werden, veranderde er weinig. Sophie ging studeren in Amsterdam maar hield het geen jaar vol. Ze kwam terug naar Utrecht, zonder diploma en met een gebroken hart na een relatie met een getrouwde docent. Ze trok bij mij in ‘voor even’, zei ze. Dat ‘even’ werd bijna twee jaar.
‘Je begrijpt me tenminste,’ zei ze vaak terwijl ze op mijn bank lag te huilen.
Maar begreep ik haar echt? Of was ik gewoon te moe om nee te zeggen?
De ruzies begonnen klein: over wie de boodschappen moest doen, wie de badkamer schoonmaakte, wie de huur betaalde. Maar ze werden groter toen Bram werd geboren en Sophie jaloers werd op de aandacht die hij kreeg.
‘Je hebt geen tijd meer voor mij,’ snauwde ze op een avond terwijl Bram huilde in zijn wieg.
‘Sophie, hij is een baby! Natuurlijk heeft hij aandacht nodig.’
‘En ik dan? Ik ben ook alleen!’
Het was alsof ik twee kinderen had in plaats van één.
Toen Sophie eindelijk een eigen studio vond – met hulp van onze moeder en een flinke duw van mij – dacht ik dat het beter zou gaan. Maar ze bleef bellen. ‘Eva, kun je me geld lenen?’ ‘Eva, kun je me ophalen? Mijn scooter is gestolen.’ ‘Eva, kun je oppassen op mijn kat?’
En altijd kwam er drama mee: schulden, ruzies met vriendinnen, ontslagen bij baantjes omdat ze weer eens te laat kwam of ziek was. En altijd was daar dat schuldgevoel bij mij: als ik haar niet help, wie dan wel?
Onze moeder bemoeide zich er nauwelijks mee. ‘Jij bent altijd zo sterk, Eva,’ zei ze dan. ‘Jij kan dat wel aan.’
Maar wat als ik het niet meer aankan?
De laatste druppel kwam vorige maand. Sophie stond midden in de nacht voor mijn deur – dronken, huilend, met een gescheurde jas en mascara over haar wangen.
‘Hij heeft me weer laten zitten,’ snikte ze.
‘Wie?’ vroeg ik vermoeid.
‘Dennis…’
Dennis was haar nieuwste vriend – een jongen uit Rotterdam die meer tijd in de kroeg doorbracht dan op zijn werk. Ik had hem één keer ontmoet en wist meteen: dit gaat mis.
‘Sophie… je kunt hier niet blijven slapen,’ zei ik zacht maar beslist.
‘Wat? Je laat me buiten staan? In de kou?’
‘Ik kan dit niet meer…’
Ze keek me aan alsof ik haar had verraden. En misschien was dat ook zo.
Sindsdien belde ze elke dag. Eerst vriendelijk, toen smekend, daarna boos en verwijtend. Gisteren stuurde ze een appje: ‘Jij bent net als papa. Je laat me ook vallen.’
Die woorden sneden dieper dan ik wil toegeven.
Nu zit ik hier aan de keukentafel met Bram tegenover me en vraag ik me af: ben ik echt zo hard geworden? Of is dit eindelijk zelfbescherming?
De telefoon trilt op tafel. Haar naam licht op: Sophie.
Ik kijk ernaar en voel tranen prikken achter mijn ogen.
‘Mama?’ vraagt Bram voorzichtig. ‘Ben je verdrietig?’
Ik knik en trek hem dicht tegen me aan.
Misschien ben ik wel verdrietig om alles wat had kunnen zijn tussen ons – twee zussen die elkaar steunen in plaats van leegzuigen. Misschien ben ik boos op mezelf omdat ik niet eerder grenzen heb gesteld. Misschien ben ik gewoon moe van altijd sterk moeten zijn.
Buiten begint het zachtjes te regenen. Ik kijk naar de druppels op het raam en vraag me af: kun je ooit écht loskomen van familie? Of blijft bloed altijd trekken?
Wat zouden jullie doen als je eigen zus je zo uitputte? Is er een grens aan familiebanden?