Ik ben geen pakezel: het verhaal van Marloes uit Utrecht
‘Weet je wat het is, Jeroen? Ik ben het zat om altijd degene te zijn die alles moet regelen!’ Mijn stem trilt, maar ik probeer hem niet te laten breken. Jeroen kijkt me aan vanaf de bank, zijn blik half verveeld, half gekwetst. ‘Marloes, je overdrijft. Ik doe toch ook mijn best?’
Mijn naam is Marloes van Dijk. Ik ben 32 jaar en woon al mijn hele leven in Utrecht. Drie jaar geleden ontmoette ik Jeroen op een feestje van een gezamenlijke vriendin. Hij was charmant, grappig, en leek precies te weten wat hij wilde. Maar nu, na bijna drie jaar samenwonen in ons kleine appartementje aan de Amsterdamsestraatweg, voelt het alsof ik alles alleen moet dragen.
‘Je doet je best? Wanneer heb jij voor het laatst boodschappen gedaan zonder dat ik het moest vragen? Of de huur overgemaakt vóór de laatste dag van de maand?’ Mijn stem klinkt scherper dan ik wil. Jeroen zucht diep en draait zich om naar de televisie. ‘Ik heb het druk op werk, Marloes. Je weet dat mijn baas me constant belt.’
Ik voel de woede in mijn buik borrelen. ‘En ik dan? Ik werk ook fulltime, Jeroen! Maar als er iets geregeld moet worden – of het nou de belasting is, of een afspraak bij de tandarts – dan ben ik degene die eraan denkt.’
Het is niet alleen Jeroen. Het is alles. Mijn moeder belt elke week om te vragen wanneer ik weer eens langskom. Mijn vader moppert dat ik te weinig tijd heb voor familie. Mijn zusje Sanne stuurt appjes met haar liefdesproblemen en verwacht dat ik altijd klaarsta met advies. Soms voelt het alsof iedereen aan me trekt.
Die avond lig ik wakker in bed terwijl Jeroen zachtjes snurkt naast me. Mijn gedachten razen. Hoe ben ik hier beland? Waar is die vrolijke, zelfstandige Marloes gebleven die altijd wist wat ze wilde?
De volgende ochtend zit ik aan de keukentafel met een kop koffie als mijn telefoon trilt. Het is Sanne. ‘Marloes, kun je vanavond even bellen? Het is echt belangrijk…’
Ik zucht diep en stuur haar terug: ‘Kan het morgen? Ik heb het druk.’ Meteen voel ik me schuldig. Sanne heeft niemand anders dan mij.
Op mijn werk probeer ik me te concentreren op de cijfers voor de kwartaalrapportage, maar mijn hoofd zit vol met zorgen. Mijn collega Bas tikt op mijn scherm. ‘Alles goed, Marloes? Je lijkt afwezig.’
‘Gewoon een beetje veel aan mijn hoofd,’ mompel ik.
Die avond besluit ik met Jeroen te praten. ‘We moeten echt iets veranderen,’ begin ik voorzichtig. ‘Ik trek dit niet meer, Jeroen. Ik voel me zo alleen in deze relatie.’
Hij kijkt me aan met die blauwe ogen die me ooit zo geruststelden. ‘Wat wil je dan dat ik doe?’
‘Ik wil dat je verantwoordelijkheid neemt. Dat je niet alles aan mij overlaat. Dat je initiatief toont, ook als het om kleine dingen gaat.’
Hij knikt langzaam. ‘Ik zal mijn best doen.’
Maar weken gaan voorbij en er verandert niets. De stapel was blijft liggen tot ik hem uiteindelijk zelf doe. De rekeningen stapelen zich op tot ik ze weer betaal. Jeroen lijkt het allemaal niet te zien.
Op een zondagmiddag zit ik bij mijn ouders aan tafel. Mijn moeder schenkt thee in en kijkt me onderzoekend aan. ‘Gaat het wel goed tussen jou en Jeroen?’ vraagt ze zacht.
Ik wil zeggen dat alles prima is, maar de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik weet het niet meer, mam,’ fluister ik.
Mijn vader legt zijn hand op mijn arm. ‘Je hoeft niet alles alleen te doen, meisje.’
‘Maar wie doet het dan als ik het niet doe?’ barst ik uit.
Mijn moeder zucht. ‘Misschien moet je eens goed nadenken wat jij wilt, Marloes. Niet wat iedereen van je verwacht.’
Die avond loop ik door de regen terug naar huis. De straten van Utrecht glanzen nat onder de lantaarns. Ik voel me leeg en moe.
Thuis zit Jeroen op de bank met zijn laptop op schoot. ‘Was het gezellig bij je ouders?’ vraagt hij zonder op te kijken.
‘Ja,’ lieg ik.
De dagen daarna voel ik een afstand tussen ons groeien die niet meer te overbruggen lijkt. Op een avond, terwijl we samen eten, zegt Jeroen ineens: ‘Misschien moeten we even afstand nemen.’
Het voelt alsof iemand een mes in mijn hart steekt, maar tegelijk is er ook opluchting. ‘Misschien wel,’ zeg ik zacht.
We spreken af dat hij tijdelijk bij zijn broer gaat wonen. De eerste nacht alleen in het appartement huil ik mezelf in slaap, maar de tweede nacht voel ik iets wat ik lang niet gevoeld heb: rust.
Langzaam begin ik weer dingen voor mezelf te doen. Ik ga naar yoga met Sanne, drink koffie met Bas na werk, en neem eindelijk tijd om te schilderen – iets wat ik jaren niet heb gedaan.
Na een paar weken stuurt Jeroen een bericht: ‘Kunnen we praten?’
We ontmoeten elkaar in een café aan de Oudegracht. Hij ziet er moe uit.
‘Ik mis je,’ zegt hij meteen.
‘Ik mis jou ook,’ geef ik toe, ‘maar niet zoals het was.’
We praten urenlang over alles wat misging – over verwachtingen, teleurstellingen, en hoe we elkaar kwijt zijn geraakt.
‘Misschien zijn we gewoon te verschillend,’ zegt Jeroen uiteindelijk.
‘Of misschien willen we allebei iemand die ons aanvult, niet iemand die ons meesleept,’ zeg ik zacht.
We besluiten uit elkaar te gaan – met pijn in ons hart, maar ook met opluchting.
De weken daarna zijn zwaar, maar langzaam vind ik mezelf terug. Ik leer dat het oké is om nee te zeggen tegen familie, om tijd voor mezelf te nemen, om niet altijd sterk te hoeven zijn.
Soms vraag ik me af: waarom houden we zo krampachtig vast aan iets wat ons ongelukkig maakt? En wanneer kies je eindelijk voor jezelf?