“Mam, waarom doe je altijd zo moeilijk?”: Een zomer vol confrontaties met mijn kinderen en kleinkinderen

“Mam, waarom doe je altijd zo moeilijk?”

De woorden van mijn dochter Eva snijden door de stilte als een mes. Ik sta in de keuken van mijn rijtjeshuis in Amersfoort, mijn handen trillend boven een pan met aardappelen. Buiten schijnt de zon fel op de tegels van de kleine tuin, waar mijn kleinkinderen, Bram en Lotte, elkaar achterna zitten met waterpistolen. Maar binnen is het koud, ondanks de zomerse hitte.

“Misschien omdat ik niet alles alleen kan dragen,” fluister ik, meer tegen mezelf dan tegen Eva. Ze zucht, draait zich om en loopt naar de woonkamer, haar telefoon alweer in haar hand. Ik hoor haar zachtjes praten met haar man, Mark, over hun vakantie naar Frankrijk die morgen begint. Ze laten de kinderen zes weken bij mij. Zes weken.

Toen Eva me twee maanden geleden vroeg of ik op Bram en Lotte wilde passen deze zomer, zei ik meteen ja. Natuurlijk zei ik ja. Wat voor moeder zou ik zijn als ik nee had gezegd? Maar nu, nu alles zo dichtbij komt, voel ik een knoop in mijn maag. Mijn man Jan is drie jaar geleden overleden en sindsdien is het huis stil. Te stil. Misschien dacht ik dat het gezelschap van de kinderen die leegte zou vullen.

De eerste dagen gaan nog wel. Bram (8) is druk, maar lief; Lotte (5) volgt hem overal. We bakken pannenkoeken, bouwen hutten in de woonkamer en fietsen naar het park. Maar al snel merk ik dat ik moe ben. Echt moe. Mijn rug doet pijn van het bukken en mijn hoofd bonkt van het lawaai. En dan zijn er nog de kleine dingen: Lotte die niet wil eten, Bram die ’s nachts uit bed komt omdat hij zijn moeder mist.

Op een avond zit ik op de rand van Brams bed. Hij kijkt me aan met grote ogen.

“Oma, waarom zijn papa en mama zo vaak weg?”

Ik slik. “Ze werken hard, lieverd. En nu zijn ze even op vakantie om uit te rusten.”

“Maar waarom mag ik niet mee?”

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik aai hem over zijn haar en fluister dat hij morgen weer mag kiezen wat we gaan doen. Maar als ik later in mijn eigen bed lig, voel ik tranen over mijn wangen rollen. Waarom heb ik nooit geleerd om nee te zeggen?

De dagen worden weken. Eva appt af en toe een foto van een wijngaard of een zwembad, maar belt zelden. Als ze belt, klinkt ze gehaast.

“Gaat alles goed daar?” vraagt ze dan.

“Ja hoor,” lieg ik. “Ze zijn lief.”

Maar het huis voelt steeds kleiner. De kinderen maken ruzie om speelgoed, Lotte plast in haar bed en Bram krijgt driftbuien als hij zijn zin niet krijgt. Op een middag barst ik uit.

“Nu is het genoeg! Jullie luisteren nooit!”

Bram begint te huilen en Lotte kruipt onder tafel. Ik voel me meteen schuldig, maar weet niet hoe ik het goed kan maken.

’s Avonds bel ik mijn zus Marijke.

“Waarom voel ik me zo alleen?” vraag ik haar.

Ze zwijgt even. “Misschien omdat je altijd alles voor iedereen doet, maar nooit voor jezelf.”

Die woorden blijven hangen.

Als Eva en Mark eindelijk terugkomen uit Frankrijk, is het huis een chaos. De kinderen rennen op hun ouders af, roepen en lachen. Eva kijkt me aan met een blik die ik niet kan peilen.

“Je ziet er moe uit, mam.”

Ik knik alleen maar.

Later die avond zitten we samen aan tafel. Eva pakt mijn hand.

“Mam… waarom heb je nooit gezegd dat het te veel was?”

Ik kijk haar aan en voel boosheid opborrelen.

“Omdat jullie altijd verwachten dat ik alles maar doe! Omdat niemand ooit vraagt hoe het met míj gaat!”

Eva schrikt van mijn felheid. Mark kijkt ongemakkelijk weg.

Er valt een lange stilte.

“Ik dacht dat je het fijn vond,” zegt Eva zachtjes.

“Ik dacht dat jullie mij nodig hadden,” fluister ik terug.

We praten die avond lang – over vroeger, over Jan die er niet meer is, over hoe Eva zich altijd schuldig voelt dat ze zo weinig tijd heeft voor mij. Over hoe ik me soms onzichtbaar voel in mijn eigen familie.

De weken daarna verandert er iets. Eva appt vaker, vraagt hoe het met me gaat zonder meteen iets te willen regelen. Bram en Lotte komen nog steeds logeren, maar nu voor een weekend – niet voor zes weken achter elkaar.

Toch blijft er iets knagen. Heb ik gefaald als moeder omdat ik niet eerder mijn grenzen heb aangegeven? Of is het gewoon zo moeilijk om gezien te worden door de mensen van wie je het meest houdt?

Misschien is dit wat familie betekent: blijven proberen elkaar te begrijpen, ook als het pijn doet.

Zien jullie mij nu eindelijk? Of blijf ik altijd degene die alles opvangt zonder zelf gezien te worden?