Ze liet me achter voor een rijke man, en toen zag ik haar weer in de supermarkt
‘Papa, waarom huil je?’ vroeg Lotte zachtjes terwijl ze haar kleine hand op mijn knie legde. Ik veegde snel een traan weg en probeerde te glimlachen. ‘Het is niks, meisje. Gewoon een beetje moe.’ Maar diep vanbinnen voelde het alsof mijn hart in duizend stukjes lag.
Het was alweer drie jaar geleden dat Marieke vertrok. Ze had haar koffers gepakt op een regenachtige donderdagavond in maart, terwijl de meisjes sliepen. Ik herinner me nog hoe ze in de deuropening stond, haar jas al aan, haar blik koud en vastberaden. ‘Ik kan dit niet meer, Daan. Ik wil leven, niet overleven. Ik ben niet gelukkig met jou.’
‘En de kinderen dan?’ had ik gesmeekt. Mijn stem was gebroken, mijn handen trilden. Ze keek weg, alsof ze zich schaamde. ‘Ik zal ze blijven zien. Maar ik moet nu voor mezelf kiezen.’
Ze ging bij Vincent wonen, een man die ik alleen kende van de verhalen op het schoolplein. Altijd in pak, altijd met zijn Tesla voor de deur. De meisjes waren in de war, boos zelfs. Lotte was pas zes, Emma acht. Ze begrepen het niet. Hoe kon mama zomaar weggaan?
De eerste maanden na haar vertrek waren een waas van slapeloze nachten en eindeloze vragen. Emma werd opstandig, gooide met deuren en weigerde te praten. Lotte kroop juist dichter tegen me aan, bang om mij ook te verliezen. Mijn moeder kwam vaker langs om te helpen, maar haar goedbedoelde adviezen – ‘Je moet sterk zijn voor de meiden’ – voelden als zout in een open wond.
Op mijn werk bij de gemeente Utrecht kon ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega’s fluisterden achter mijn rug om. ‘Zijn vrouw is ervandoor met een rijke vent,’ hoorde ik iemand zeggen bij het koffieapparaat. Ik voelde me vernederd, klein.
De alimentatie die Marieke betaalde was royaal – Vincent had diepe zakken – maar het voelde als bloedgeld. Elke keer als ik haar naam op mijn bankafschrift zag, dacht ik aan haar nieuwe leven: dure vakanties naar Ibiza, foto’s op Instagram van lachende gezichten en cocktails bij het zwembad.
Toch probeerde ik door te gaan. Voor de meisjes. We maakten er een gewoonte van om elke vrijdagavond pannenkoeken te bakken en samen naar oude Disneyfilms te kijken. Soms lachten we weer echt. Maar altijd was er dat lege plekje aan tafel.
Toen kwam die dag in de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg. Het was druk; mensen haastten zich met hun karretjes langs de schappen. Ik stond bij het brood toen ik haar stem hoorde – helder, net iets te luid.
‘Vincent, neem jij de wijn? Ik pak nog even wat kaas.’
Mijn hart sloeg over. Daar stond ze: Marieke. Haar haar langer dan vroeger, haar gezicht gebruind en stralend. Naast haar Vincent, met zijn dure jas en zelfverzekerde houding.
Ze zag mij pas toen ik probeerde weg te lopen.
‘Daan?’ Haar stem klonk onzeker nu.
Ik draaide me langzaam om. ‘Hoi Marieke.’
Vincent keek me aan met een blik die alles zei: medelijden vermengd met minachting.
‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze zacht.
Ik voelde woede opborrelen, maar ook verdriet. ‘Goed,’ loog ik.
Ze knikte ongemakkelijk. ‘En met de meisjes?’
‘Ze missen hun moeder,’ zei ik scherp.
Vincent legde zijn hand op haar schouder, alsof hij haar wilde beschermen tegen mijn woorden.
‘Misschien moeten we…’ begon Marieke, maar ik onderbrak haar.
‘Laat maar.’
Ik liep weg zonder om te kijken, maar mijn handen trilden zo erg dat ik bijna het brood liet vallen.
Thuis was ik stil. Lotte merkte het meteen.
‘Papa? Heb je mama gezien?’ vroeg ze ineens, alsof ze het voelde.
Ik knikte alleen maar.
Die nacht lag ik wakker en dacht aan alles wat verloren was gegaan. Aan de avonden dat we samen op de bank zaten, aan de eerste stapjes van Emma, aan Lotte’s lach toen ze voor het eerst zonder zijwieltjes fietste in het park bij de Vecht.
Ik dacht ook aan de ruzies – over geld, over tijd voor elkaar, over dromen die nooit uitkwamen omdat we altijd bezig waren met overleven in plaats van leven.
De weken daarna probeerde ik verder te gaan alsof er niets was gebeurd. Maar iets was veranderd. Emma werd stiller; ze had gehoord dat ik mama had gezien en vroeg niet verder. Lotte tekende ineens alleen nog maar plaatjes van gebroken harten.
Op een avond zat ik met mijn moeder aan tafel.
‘Je moet haar vergeven,’ zei ze zacht.
‘Hoe kan ik iemand vergeven die ons zo heeft achtergelaten?’ vroeg ik boos.
‘Omdat je anders nooit verder kunt.’
Ik wist dat ze gelijk had, maar het voelde onmogelijk.
Een paar weken later kreeg ik een berichtje van Marieke: Of we konden praten, zonder Vincent erbij. Voor de kinderen.
We spraken af in een café aan het Wilhelminapark. Ze was nerveus; haar handen friemelden aan haar theekopje.
‘Daan… Ik weet dat ik veel kapot heb gemaakt,’ begon ze.
Ik zweeg.
‘Ik dacht dat geld en avontuur me gelukkig zouden maken. Maar ik mis jullie… Ik mis wie ik was bij jou.’
‘Waarom kom je dan niet terug?’ floepte ik eruit voordat ik erover nadacht.
Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kan niet meer. Te veel is kapot gegaan.’
We praatten urenlang – over vroeger, over de meisjes, over spijt en schuldgevoelens. Toen we afscheid namen, voelde het alsof er iets van mijn schouders viel. Niet alles was vergeven of vergeten, maar misschien kon er ooit iets als vrede komen.
Thuis vertelde ik de meisjes dat mama altijd van hen zou blijven houden, ook al woonde ze ergens anders. Emma huilde zachtjes; Lotte kroop tegen me aan en fluisterde: ‘Ik ben blij dat jij er altijd bent.’
Soms vraag ik me af: Had ik meer kunnen doen? Had ik haar kunnen laten blijven? Of is liefde soms gewoon niet genoeg? Wat denken jullie – kun je iemand echt vergeven die je zo diep heeft gekwetst?