Ons Droomhuis Werd Onze Ondergang: Een Huwelijkscadeau Dat We Niet Overleefden

‘Waarom heb je die muur nou weer wit geverfd? Ik had toch gezegd dat ik een kleur wilde?’

De stem van Maarten galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de kwast neerleg. Het is zaterdagochtend, de zon schijnt door de grote ramen van ons nieuwe huis in Amersfoort, maar alles voelt koud. Ik kijk naar de muur – wit, strak, precies zoals mijn moeder het mooi vindt. Niet zoals ik het wil. Niet zoals Maarten het wil. Maar wat wil ik eigenlijk zelf nog?

Het huis was een cadeau van mijn ouders. Een monumentaal pand aan de rand van het centrum, met hoge plafonds en glas-in-loodramen. ‘Jullie hoeven je nooit zorgen te maken over geld,’ zei mijn vader trots op onze bruiloft, terwijl hij de sleutel aan Maarten overhandigde. Iedereen klapte, mijn moeder pinkte een traantje weg. Ik voelde me gevangen in een droom die niet de mijne was.

‘Weet je nog hoe blij je was toen we hier kwamen kijken?’ probeerde Maarten die avond, terwijl hij met zijn rug naar me toe in bed lag. ‘Het is alsof je nu alleen maar chagrijnig bent.’

Ik wilde iets zeggen, maar de woorden bleven steken in mijn keel. Ik was niet chagrijnig, ik was verdwaald. Alles in dit huis ademde mijn ouders: de meubels die ze hadden uitgezocht, de gordijnen die mijn moeder had laten maken, zelfs het servies in de kast was van haar. Maarten en ik waren figuranten in hun toneelstuk.

De eerste maanden probeerden we er iets van te maken. We gaven etentjes voor vrienden, lachten om de lekkende kraan en maakten plannen voor een tuinfeest. Maar steeds vaker eindigden onze gesprekken in ruzie. Maarten vond dat ik te veel naar mijn ouders luisterde. Ik vond dat hij nooit tevreden was.

‘Waarom moet alles altijd op jouw manier?’ schreeuwde ik op een avond, toen hij weer begon over de keuken die hij wilde verbouwen. ‘Dit is niet eens óns huis!’

Hij keek me aan met die blik die ik zo goed kende – teleurgesteld, gekwetst, boos. ‘Misschien moet je dat dan eens tegen je ouders zeggen in plaats van tegen mij.’

Maar dat durfde ik niet. Mijn moeder kwam elke week langs met bloemen en adviezen. ‘Je moet het gewoon gezellig maken, Lieke,’ zei ze dan, terwijl ze de kussens op de bank herschikte. ‘Maarten heeft het ook niet makkelijk met zo’n drukke baan.’

Ik knikte braaf en slikte mijn frustratie weg. Tot ik op een dag thuiskwam en Maarten in de keuken vond, zijn koffers gepakt.

‘Ik kan dit niet meer,’ zei hij zacht. ‘Ik voel me hier geen seconde thuis. Jij ook niet, geef dat nou toe.’

Ik huilde, smeekte hem te blijven, maar hij was vastbesloten. De stilte die achterbleef was oorverdovend.

Mijn ouders kwamen meteen toen ze het hoorden. Mijn vader was boos – op Maarten, op mij, op zichzelf misschien ook wel. Mijn moeder probeerde me te troosten met thee en koekjes.

‘Je moet gewoon even doorzetten,’ zei ze. ‘Iedereen heeft wel eens ruzie.’

Maar dit was geen gewone ruzie. Dit was het besef dat ik nooit had geleerd om voor mezelf te kiezen. Dat ik altijd had gedaan wat er van me verwacht werd – braaf meisje, goede dochter, perfecte echtgenote.

De weken daarna gleed ik langzaam weg in een mist van verdriet en schaamte. Ik sliep nauwelijks, at bijna niet meer en vermeed mijn vrienden. Het huis voelde als een gevangenis; elke kamer herinnerde me aan wat er mis was gegaan.

Op een dag stond ik voor de spiegel in de badkamer en herkende mezelf niet meer. Mijn ogen dof, mijn huid grauw. Was dit wat volwassen zijn betekende? Alles opgeven voor andermans geluk?

Het duurde maanden voordat ik hulp zocht. Mijn huisarts luisterde geduldig terwijl ik snikkend mijn verhaal deed.

‘Je hebt een depressie,’ zei ze zacht. ‘Maar je bent niet alleen.’

Langzaam kroop ik uit het dal. Met therapie leerde ik grenzen stellen – tegen mijn ouders, tegen Maarten (die inmiddels een appartement had gevonden in Utrecht), maar vooral tegen mezelf.

Op een dag belde mijn moeder aan met een bos tulpen.

‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze voorzichtig.

Ik knikte en liet haar binnen in het huis dat inmiddels iets meer van mij was geworden – een andere kleur op de muren, nieuwe foto’s aan de wand.

‘Het spijt me,’ zei ze plotseling, haar stem breekbaar. ‘We wilden alleen maar dat je gelukkig zou zijn.’

Ik pakte haar hand vast en voelde voor het eerst geen woede meer, alleen verdriet om alles wat verloren was gegaan.

Nu, twee jaar later, woon ik nog steeds in het huis. Het is kleiner geworden zonder Maarten, maar ook lichter – omdat ik eindelijk mezelf mag zijn.

Soms vraag ik me af: hoeveel van ons leven wordt bepaald door verwachtingen van anderen? En wanneer durven we eindelijk te kiezen voor onszelf?