Onder het dak van stilte: het verhaal van mijn familie
‘Waarom zeg je nooit eens wat terug, Jeroen?’ De stem van mijn moeder snijdt door de stilte als een mes. Ik zit aan de keukentafel, mijn handen om een kop lauwe koffie geklemd. Buiten tikt de regen tegen het raam, maar binnen is het kouder dan ooit.
‘Omdat het toch nooit uitmaakt wat ik zeg,’ antwoord ik zacht. Mijn vader kijkt niet op van zijn krant. Mijn zusje, Sanne, roert zwijgend in haar yoghurt. Het is een ochtend als alle andere, maar vandaag voelt alles zwaarder. Alsof er iets in de lucht hangt dat elk moment kan ontploffen.
Mijn moeder zucht diep. ‘Je vader en ik doen ons best, hoor. Maar jij… jij sluit je altijd af.’
Ik wil schreeuwen dat ik niet anders kan, dat ik niet weet hoe ik moet praten over wat er in mij omgaat. Maar de woorden blijven steken in mijn keel. Ik ben achttien en voel me ouder dan ooit.
De afgelopen maanden zijn een aaneenschakeling van ruzies en stiltes. Sinds mijn vader zijn baan verloor bij de gemeente, is er weinig geld en nog minder geduld. Mijn moeder werkt extra diensten in het ziekenhuis, Sanne trekt zich terug op haar kamer met haar telefoon. En ik? Ik verdwijn in mezelf.
‘Misschien moet je eens met iemand praten,’ zegt mijn moeder op een avond als ze denkt dat ik slaap. Haar stem klinkt gebroken door de muur heen. ‘Hij glijdt weg, Henk. Ik weet niet meer hoe ik hem moet bereiken.’
Mijn vader bromt iets onverstaanbaars. Ik hoor zijn stoel kraken, het tikken van zijn vingers op het tafelblad. ‘Hij is gewoon een puber. Gaat wel over.’
Maar het gaat niet over. Niet als ik ’s nachts wakker lig en luister naar hun gefluister beneden. Niet als ik Sanne hoor huilen omdat ze gepest wordt op school en niemand haar gelooft. Niet als mijn moeder thuiskomt met wallen onder haar ogen en haar handen trillen van vermoeidheid.
Op een dag komt Sanne thuis met een blauw oog. Mijn moeder vliegt op haar af, overstuur. ‘Wat is er gebeurd?’
Sanne snikt dat het een ongelukje was tijdens gym, maar ik zie aan haar blik dat ze liegt. Later die avond vind ik haar op haar bed, verstopt onder een berg dekens.
‘Wil je erover praten?’ vraag ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd, maar haar lip trilt. ‘Ze zeggen dat we arm zijn. Dat papa een mislukkeling is.’
Ik voel woede opborrelen, maar weet niet waar ik ermee heen moet. Dus ga ik naast haar zitten en leg mijn hand op haar schouder. ‘Het komt goed, Sanne. Echt.’
Maar zelfs terwijl ik het zeg, geloof ik er niets van.
De dagen worden weken, de weken maanden. Mijn vader wordt stiller, mijn moeder harder. Op een avond barst de bom.
‘Ik ben het zat!’ schreeuwt mijn moeder terwijl ze een bord op het aanrecht smijt. ‘Altijd die spanning! Nooit eens gewoon gezellig!’
Mijn vader zwijgt, zijn gezicht strak. ‘Wat wil je dat ik doe? Ik zoek werk, maar er is niks!’
‘En de kinderen dan? Kijk naar Jeroen! Hij praat niet meer! Sanne wordt gepest! We glijden uit elkaar!’
Ik sta in de deuropening en voel me onzichtbaar. Alsof ik naar een film kijk waarin niemand mij ziet.
Die nacht pak ik mijn jas en fiets zonder doel door de regen. De straten van Amersfoort zijn leeg, alleen het geluid van mijn banden op het natte asfalt houdt me gezelschap. Ik denk aan vroeger, aan hoe we samen naar het bos gingen en pannenkoeken bakten op zondag. Waar is dat gezin gebleven?
Op school gaat het niet beter. Mijn cijfers kelderen, leraren vragen of alles goed gaat thuis. Ik haal mijn schouders op en lach alles weg.
Tot op een dag meneer De Vries me na de les tegenhoudt.
‘Jeroen, mag ik even met je praten?’
Ik knik en blijf staan terwijl de klas leegloopt.
‘Je bent veranderd,’ zegt hij zacht. ‘Wil je erover praten?’
Ik wil nee zeggen, maar ineens stromen de woorden eruit. Over thuis, over Sanne, over de stilte die als een deken over ons gezin ligt.
Meneer De Vries luistert zonder te oordelen. ‘Je hoeft dit niet alleen te dragen,’ zegt hij uiteindelijk.
Hij regelt dat ik met de schoolmaatschappelijk werker mag praten. Voor het eerst in maanden voel ik iets van opluchting.
Thuis vertel ik niets. Mijn ouders hebben hun eigen zorgen; ik wil ze niet nog meer belasten.
Maar Sanne merkt het op.
‘Je bent anders,’ zegt ze op een avond terwijl we samen afwassen.
‘Misschien,’ geef ik toe.
Ze kijkt me aan met grote ogen. ‘Denk je dat het ooit weer normaal wordt?’
Ik weet het niet, maar ik knik toch.
De maanden verstrijken. Mijn vader vindt uiteindelijk werk bij een bouwbedrijf, maar hij is veranderd; stiller, sneller boos. Mijn moeder blijft hard werken, maar lacht weer iets vaker.
Op een dag zitten we met z’n allen aan tafel en begint Sanne te vertellen over haar nieuwe vriendin Lisa. Mijn ouders luisteren echt, voor het eerst in lange tijd.
Ik kijk naar hen en voel iets verschuiven in mij. Misschien is dit wat familie betekent: niet perfect zijn, maar toch blijven proberen.
’s Avonds lig ik wakker en denk na over alles wat er gebeurd is. Over hoe makkelijk je elkaar kunt kwijtraken zonder dat je het doorhebt.
Misschien had ik meer moeten zeggen. Misschien hadden we allemaal meer moeten luisteren.
Maar hoe breek je door die muur van stilte heen?
Hebben jullie dat ook wel eens gevoeld – dat je schreeuwt zonder geluid te maken? Wat zou jij doen als je gezin langzaam uit elkaar valt?