De Zondagen van Mijn Onzichtbaarheid
‘Weet je, Anneke, vroeger deed ik alles zelf. Drie kinderen, een man die altijd werkte, en toch stond het huis er altijd spic en span bij.’
Haar stem galmt nog na in de keuken terwijl ik de pannen afwas. De geur van haar parfum hangt in de gang, vermengd met de zoetige lucht van de appeltaart die ik vanochtend speciaal voor haar heb gebakken. Mijn zoontje, Daan, lacht nog na in de woonkamer. Mijn schoonmoeder – Marijke – is net vertrokken. Ze was hier precies anderhalf uur. Genoeg tijd om Daan’s blokken om te gooien, hem een koekje toe te stoppen (‘Niet tegen mama zeggen!’), en me tussen neus en lippen door te vertellen hoe zij het allemaal vroeger deed.
‘Anneke, kom je er even bij zitten?’ vroeg ze toen ik net de soep aan het roeren was. ‘Daan wil dat je meedoet met het spelletje.’
‘Ik kom zo, mam,’ antwoordde ik, mijn stem iets te scherp misschien. Maar wie zou het niet zijn? Elke zondag hetzelfde ritueel: zij komt binnen, kust Daan op zijn bol, geeft mij een vluchtige knuffel en nestelt zich op de bank alsof ze nooit is weggeweest. En ik? Ik ren tussen keuken en woonkamer, probeer het gesprek gaande te houden, let op dat Daan niet te veel snoep krijgt, en glimlach als ze weer begint over haar jeugd.
‘Je moet het jezelf niet zo moeilijk maken,’ zegt ze dan. ‘Laat die boel toch eens de boel.’ Maar als ik dat doe – als er ergens een kruimel op tafel ligt of het speelgoed niet netjes is opgeruimd – trekt ze haar wenkbrauwen op en zegt: ‘Vroeger was ik daar strenger in.’
Mijn man, Jeroen, begrijpt het niet. ‘Ze bedoelt het goed,’ zegt hij als ik ’s avonds zuchtend naast hem op de bank plof. ‘Ze is gewoon dol op Daan. En op jou ook, echt waar.’
Maar waarom voel ik me dan zo alleen? Waarom lijkt het alsof ik elke zondag opnieuw moet bewijzen dat ik een goede moeder ben? Dat ik het huishouden aankan? Dat ik niet tekortschiet?
Vorige week was het erger dan anders. Marijke kwam binnen met een grote tas vol cadeautjes voor Daan. ‘Omdat hij zo’n lieve jongen is,’ zei ze. Daan sprong op van blijdschap, zijn ogen glinsterden. Maar toen hij zijn nieuwe brandweerauto liet vallen en begon te huilen, keek Marijke mij aan alsof het mijn schuld was.
‘Misschien is hij een beetje moe,’ zei ze zachtjes. ‘Of heeft hij niet genoeg gegeten?’
Ik voelde mijn wangen gloeien van schaamte én woede. Had ze niet gezien dat ik al uren in de weer was geweest om alles perfect te maken? Dat ik nauwelijks tijd had gehad om zelf te eten?
Na haar vertrek zat ik op de keukenvloer, mijn rug tegen de koelkast. Daan speelde met zijn nieuwe auto’s, onbewust van mijn tranen. Ik voelde me leeggezogen, alsof er niets meer van mij over was behalve een schim die door het huis dwaalde.
De dagen daarna probeerde ik met Jeroen te praten.
‘Misschien kun jij eens wat meer doen als ze er is?’ stelde ik voor.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze komt toch voor Daan? Niet voor ons.’
‘Maar ík moet alles regelen! Jij ziet het niet omdat je altijd boven zit te werken of met haar praat over voetbal.’
Hij zuchtte. ‘Je overdrijft, Anneke. Het is maar één keer per week.’
Maar voor mij voelt het als een marathon zonder finishlijn.
Afgelopen zondag besloot ik het anders te doen. Ik zou niet alles perfect maken. Geen appeltaart, geen vers gestofzuigde vloer. Gewoon koffie uit een mok en speelgoed waar het lag.
Marijke kwam binnen, keek om zich heen en zei: ‘O, wat gezellig rommelig hier.’
Ik lachte ongemakkelijk. Maar toen ze zich bukte om een stuk Lego van de grond te rapen, voelde ik haar oordeel als een koude wind door de kamer trekken.
‘Zal ik even helpen met opruimen?’ vroeg ze.
‘Nee hoor, laat maar liggen,’ zei ik snel.
Daan kwam aangerend met zijn brandweerauto en botste tegen haar benen aan. Ze schrok, viel bijna om.
‘Oei! Kijk uit, jongen!’ riep ze uit.
Ik zag aan haar gezicht dat ze zich ergerde. En ineens barstte er iets in mij los.
‘Misschien kun je beter even gaan zitten,’ zei ik harder dan bedoeld. ‘Of misschien… misschien kun je ook eens vragen hoe het met mij gaat?’
Het werd stil. Marijke keek me aan alsof ze me voor het eerst zag.
‘Hoe het met jou gaat?’ herhaalde ze verbaasd.
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ja… Ik ben ook moe. Ik probeer alles goed te doen maar soms… soms lukt het gewoon niet.’
Ze zweeg even en keek naar Daan die nu stilletjes naast haar stond.
‘Anneke…’ begon ze aarzelend. ‘Ik wist niet dat je je zo voelde.’
‘Nee,’ zei ik zacht. ‘Dat weet niemand.’
De rest van haar bezoek verliep ongemakkelijk stil. Toen ze vertrok gaf ze me een lange knuffel – langer dan ooit tevoren – en fluisterde: ‘Je doet het goed, echt waar.’
Die avond zat ik weer op de bank naast Jeroen.
‘Wat heb je tegen haar gezegd?’ vroeg hij verbaasd toen hij merkte dat er iets veranderd was.
‘Gewoon… dat ik ook maar een mens ben.’
Hij keek me aan alsof hij me voor het eerst zag.
Nu is het woensdagavond. De stilte in huis voelt zwaar maar ook bevrijdend. Ik weet niet hoe het volgende zondag zal gaan. Misschien verandert er niets – misschien alles.
Maar één ding weet ik zeker: ik wil niet langer onzichtbaar zijn in mijn eigen leven.
Zie jij mij? Of ben ik alleen maar de schaduw achter de glimlach van mijn gezin?