Tussen vier muren: Hoe ik mezelf verloor (en vond) in het huis van mijn schoonouders
‘Marloes, heb je de vaatwasser alweer niet uitgeruimd?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, snijdt door de stilte van de vroege ochtend. Ik sta met trillende handen bij het aanrecht, mijn blik gefixeerd op de kopjes die ik net heb afgewassen. ‘Sorry Ans, ik was net bezig…’ Mijn stem klinkt klein, bijna onhoorbaar. Achter me hoor ik haar zuchten, een geluid dat inmiddels net zo vertrouwd is als het tikken van de klok in de woonkamer.
Het is alweer drie jaar geleden dat Jeroen en ik besloten tijdelijk bij zijn ouders in te trekken. ‘Gewoon tot we iets vinden in Utrecht,’ zei hij toen, zijn ogen vol hoop. Maar de huizenmarkt bleek genadeloos en onze spaargelden slonken sneller dan we konden sparen. Wat begon als een praktische oplossing, veranderde langzaam in een gevangenis zonder tralies.
De eerste maanden probeerde ik me aan te passen. Ik hield me aan hun regels: schoenen uit bij de deur, geen muziek na tien uur, altijd samen eten. Maar hoe hard ik ook mijn best deed, het leek nooit genoeg. Ans had overal commentaar op – de manier waarop ik de was opvouwde, hoe ik met haar zoon sprak, zelfs hoe ik mijn koffie dronk. ‘In dit huis doen we dat anders, Marloes,’ zei ze dan, haar blik streng maar zogenaamd vriendelijk.
Jeroen probeerde te bemiddelen. ‘Mam, laat haar nou gewoon even,’ zei hij soms, maar zijn stem klonk onzeker. Hij wilde geen ruzie, niet tussen mij en zijn ouders, maar ook niet tussen hem en mij. Dus trok hij zich steeds vaker terug op zolder, waar hij werkte aan zijn scriptie en ik alleen achterbleef met Ans en Henk, zijn vader.
Henk was anders. Stil, afwezig bijna. Hij las de krant aan tafel en mompelde af en toe iets over het weer of de politiek. Soms ving ik een blik van medelijden in zijn ogen als Ans weer eens uitviel tegen mij. Maar hij zei nooit wat.
De dagen vloeiden in elkaar over. Ik voelde me steeds kleiner worden, alsof ik langzaam oploste in hun huis. Mijn vrienden zag ik nauwelijks nog – het voelde gênant om uit te leggen waarom we nog steeds niet iets voor onszelf hadden gevonden. Mijn moeder belde vaak: ‘Hoe gaat het nou echt met je?’ vroeg ze dan zachtjes. Maar wat moest ik zeggen? Dat ik elke dag een beetje meer van mezelf verloor?
Op een avond barstte de bom. Jeroen kwam laat thuis van een borrel met vrienden. Ans zat al op hem te wachten in de keuken. ‘Jeroen, dit kan zo niet langer,’ begon ze, haar armen over elkaar geslagen. ‘Jullie moeten keuzes maken. Dit is óns huis.’
Ik stond in de deuropening en voelde hoe mijn hart bonkte in mijn borstkas. Jeroen keek naar mij, toen naar zijn moeder. ‘We doen ons best, mam,’ zei hij zachtjes.
‘Jullie best? Je vriendin doet hier niks goed! Ze ruimt niet op, ze kookt nooit…’
‘Dat is niet waar!’ riep ik uit, mijn stem trillend van woede en verdriet. ‘Ik doe alles wat jullie vragen! Maar het is nooit genoeg!’
Er viel een pijnlijke stilte. Henk keek op van zijn krant en zuchtte diep.
‘Misschien moeten jullie inderdaad eens nadenken over wat je wilt,’ zei hij uiteindelijk.
Die nacht lag ik wakker naast Jeroen. Zijn rug naar mij toe, zijn ademhaling zwaar en onregelmatig. Ik voelde me alleen, meer dan ooit tevoren.
De weken daarna werd het alleen maar erger. Ans negeerde me zoveel mogelijk; als ze me aankeek was het met diezelfde kille blik die me doorboorde tot op het bot. Jeroen werd stiller, afstandelijker. We praatten nauwelijks nog – over koetjes en kalfjes misschien, maar nooit over wat er echt speelde.
Op een dag kwam mijn moeder onverwacht langs. Ze zag meteen dat er iets mis was. ‘Kom mee naar buiten,’ zei ze zachtjes.
We liepen langs het Merwedekanaal, de wind waaide door mijn haren. ‘Je hoeft hier niet te blijven als je ongelukkig bent,’ zei ze plotseling. Haar woorden raakten me dieper dan ik had verwacht.
‘Maar waar moet ik heen? Ik kan Jeroen toch niet achterlaten?’
Ze pakte mijn hand vast. ‘Soms moet je eerst voor jezelf kiezen.’
Die avond keek ik Jeroen aan terwijl hij zich omdraaide in bed. ‘Wil jij dit nog wel?’ vroeg ik zachtjes.
Hij zweeg lang voordat hij antwoordde. ‘Ik weet het niet meer, Marloes.’
Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte.
De volgende ochtend pakte ik mijn spullen – alleen de hoognodige dingen: wat kleren, mijn dagboek, een foto van mijn vader die jaren geleden overleden was. Ik liet een briefje achter voor Jeroen: “Ik hou van je, maar ik hou ook van mezelf. Ik kan hier niet langer blijven.”
Mijn moeder ving me op met open armen. De eerste nachten sliep ik nauwelijks; elke keer als ik mijn ogen sloot hoorde ik Ans’ stem in mijn hoofd.
Langzaam vond ik mezelf terug – in kleine dingen: een wandeling door het park, koffie drinken met een vriendin die ik maanden niet had gezien, muziek luisteren zonder bang te zijn dat iemand zou klagen over het volume.
Jeroen belde soms; eerst elke dag, toen steeds minder vaak. Hij bleef bij zijn ouders wonen – misschien omdat het makkelijker was dan kiezen voor zichzelf of voor mij.
Na een paar maanden vond ik een klein appartementje in Lombok. Het was oud en gehorig, maar het was van mij alleen. Voor het eerst in jaren voelde ik me vrij.
Soms denk ik terug aan die tijd tussen vier muren – hoe ik mezelf kwijtraakte in het proberen te voldoen aan verwachtingen die nooit uitgesproken werden maar altijd voelden als een last op mijn schouders.
Nu weet ik dat liefde niet betekent dat je jezelf moet verliezen om iemand anders gelukkig te maken.
Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken? Wanneer kies je voor jezelf – en wanneer blijf je vechten voor iets wat misschien al verloren is?