Een nachtelijk telefoontje dat alles veranderde: Mijn leven tussen liefde, verlies en familiegeheimen
‘Waarom bel je me nu, Mark?’ Mijn stem klinkt schor, dof van de slaap en de irritatie. Het is 03:17. Ik staar naar het scherm van mijn telefoon, het blauwe licht snijdt in mijn ogen. Mark zwijgt even aan de andere kant van de lijn, alsof hij schrikt van mijn toon. ‘Sorry, Eva… Ik kon niet slapen. Ik moest gewoon even met je praten.’
Ik zucht diep, trek mijn knieën op onder het dekbed. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. ‘Het is midden in de nacht. Is er iets met Lotte?’
‘Nee, nee… Lotte slaapt gewoon. Het spijt me echt dat ik je wakker maak.’
Zijn stem klinkt onzeker, bijna breekbaar. Ik voel een steek van medelijden, maar ik weet dat ik me daar niet door moet laten meeslepen. Niet weer. ‘Mark, waar gaat dit over?’
Hij begint te praten over zijn werk, over de reorganisatie op kantoor, over het weer – dat het maar blijft regenen deze zomer. Zijn woorden dwarrelen als herfstbladeren door de kamer. Ik luister nauwelijks. In gedachten ben ik terug bij die avond, drie jaar geleden, toen hij zijn koffers pakte en vertrok.
‘Ik weet niet meer hoe ik verder moet, Eva,’ zegt hij plotseling. Zijn stem breekt.
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. Niet om hem, maar om alles wat verloren is gegaan. Om Lotte, die elke zondagavond met betraande ogen naar haar vader vertrekt. Om mezelf, die elke dag probeert sterk te zijn, maar zich ’s nachts verloren voelt in een leeg huis in Utrecht.
‘Mark…’ begin ik zachtjes, maar hij onderbreekt me.
‘Ik mis je. Ik mis ons gezin.’
Ik slik. De stilte tussen ons is zwaar en vol herinneringen.
‘Dat is voorbij,’ fluister ik. ‘We kunnen niet terug.’
Hij huilt nu echt. Ik hoor het aan zijn ademhaling, aan het snikken dat hij probeert te onderdrukken.
‘Sorry,’ zegt hij nogmaals. ‘Ik weet niet waarom ik belde. Vergeet het maar.’
Het gesprek blijft hangen als een mist in mijn hoofd als ik ophang. Ik staar naar het plafond, luister naar het zachte gesnurk van Lotte in de kamer naast me. Mijn gedachten razen.
De volgende ochtend is alles anders. Ik ben moe, prikkelbaar. Lotte merkt het meteen aan het ontbijt.
‘Mama, waarom kijk je zo boos?’ vraagt ze terwijl ze haar boterham met hagelslag inspecteert.
‘Ik ben gewoon moe, lieverd,’ zeg ik.
Ze knikt alsof ze het begrijpt, maar haar blik blijft hangen op mijn gezicht.
Op weg naar school regent het weer pijpenstelen. Fietsen door de natte straten van Utrecht, Lotte voorop in haar regenpakje, ik erachteraan – het voelt als een eindeloze herhaling van dagen die allemaal op elkaar lijken.
Op mijn werk bij de bibliotheek probeer ik me te concentreren op de administratie, maar Mark’s woorden blijven door mijn hoofd spoken: ‘Ik mis ons gezin.’
Mijn collega Sanne kijkt me onderzoekend aan tijdens de lunchpauze.
‘Gaat het wel goed met je? Je bent zo stil vandaag.’
Ik twijfel even of ik iets moet zeggen. Uiteindelijk vertel ik haar over het telefoontje.
Sanne zucht diep. ‘Je moet echt grenzen stellen, Eva. Je bent niet zijn therapeut.’
Ze heeft gelijk. Maar waarom voelt het dan zo moeilijk?
’s Avonds bij het avondeten barst Lotte ineens in tranen uit.
‘Ik wil niet meer elke week naar papa! Waarom kunnen we niet gewoon samen zijn?’
Haar woorden snijden door mijn ziel. Ik trek haar op schoot en wieg haar heen en weer.
‘Soms maken grote mensen fouten,’ fluister ik in haar haar. ‘Maar we houden allebei heel veel van jou.’
Ze snikt nog harder. ‘Maar waarom dan? Waarom zijn jullie niet meer samen?’
Wat moet ik zeggen? Dat haar vader vreemdging met een collega? Dat ik hem nooit meer kon vertrouwen? Of dat ik zelf ook fouten heb gemaakt – te veel gewerkt, te weinig geluisterd?
Die nacht lig ik wakker en denk aan vroeger. Aan de zomeravonden op het balkon met Mark, aan Lotte’s eerste stapjes in het park bij de Domtoren. Aan de ruzies die steeds vaker kwamen – over geld, over tijd, over alles en niets.
Mijn moeder belt de volgende dag.
‘Je ziet er moe uit op die foto’s van Lotte,’ zegt ze zonder omwegen.
‘Het gaat wel,’ lieg ik.
‘Je moet niet alles alleen willen doen, Eva.’
Maar wie kan me helpen? Mijn vader is al jaren uit beeld sinds zijn nieuwe gezin in Groningen. Mijn broer Jasper woont in Berlijn en heeft zijn eigen problemen.
Op vrijdagavond komt Mark Lotte ophalen voor het weekend. Hij staat onhandig in de gang met zijn natte jas en een bos bloemen.
‘Voor jou,’ zegt hij zachtjes.
Ik neem de bloemen aan zonder iets te zeggen.
Lotte springt in zijn armen en kijkt mij vragend aan.
‘Kom je zondag mee eten bij papa?’ vraagt ze hoopvol.
Mark kijkt me smekend aan. ‘Het zou fijn zijn… voor Lotte.’
Ik voel me verscheurd tussen wat goed is voor haar en wat goed is voor mijzelf.
Zondagavond zit ik aan tafel bij Mark in zijn nieuwe appartement aan de Vecht. Alles is anders: de meubels, de geur, zelfs de stilte tussen ons.
Lotte kletst vrolijk over school en haar nieuwe hamster. Mark en ik wisselen ongemakkelijke blikken uit boven onze borden pasta.
Na het eten blijft Lotte lang op om een film te kijken. Mark schenkt wijn in voor ons tweeën.
‘Eva… Denk je dat we ooit…’
Ik onderbreek hem: ‘Nee, Mark. We kunnen niet terug.’
Hij knikt langzaam en staart uit het raam naar de rivier.
Als ik later die avond naar huis fiets door de lege straten van Utrecht voel ik me lichter dan in maanden. Misschien is dit hoe loslaten voelt – pijnlijk maar noodzakelijk.
Thuis pak ik de bloemen uit en zet ze in een vaas op tafel. Ik kijk naar hun kleuren en denk aan alles wat ooit was en nooit meer zal zijn.
Soms vraag ik me af: Hoeveel kan een mens verliezen voordat ze zichzelf kwijtraakt? En hoeveel moed heb je nodig om opnieuw te beginnen?