“Mijn dochter is al over de dertig, maar leeft nog als een puber” – De schreeuw van een uitgeputte moederziel
‘Sanne, het is half elf. Ga je vandaag nog iets doen behalve op de bank hangen?’ Mijn stem trilt, ik hoor het zelf. Ik sta in de deuropening van de woonkamer, waar mijn dochter – mijn enige kind – met haar telefoon in haar hand op de bank ligt. Ze kijkt niet op. ‘Mam, ik heb een vrije dag. Mag dat alsjeblieft?’
Vrije dag. Ze werkt parttime bij een koffietentje aan de overkant van het kanaal. Dertig uur per week, geen vast contract. Ze is net 32 geworden. Ik weet dat ik haar niet moet pushen, maar het voelt alsof ik verdrink in mijn eigen huis.
‘Sanne, je bent geen zestien meer,’ probeer ik zachter. ‘Je kunt niet blijven leven alsof alles vanzelf komt.’
Ze zucht diep en rolt met haar ogen. ‘Mam, hou op. Je snapt het niet.’
Misschien snap ik het inderdaad niet meer. Toen ik haar leeftijd had, was ik al tien jaar getrouwd met haar vader, had ik een vaste baan bij de gemeente en spaarde ik voor een huisje in Purmerend. Sanne woont nog steeds bij mij, in haar oude kinderkamer die ze nooit heeft willen verlaten. Haar vader is al jaren weg – hij kon het niet aan, zei hij. Of misschien kon hij mij niet aan.
Soms vraag ik me af waar het mis is gegaan. Ik heb haar alles gegeven wat ik kon: liefde, structuur, kansen. Maar ergens onderweg is ze blijven hangen in een soort tussenfase, alsof ze bang is voor het echte leven.
‘Wil je koffie?’ vraag ik uiteindelijk, omdat ik niet weet wat ik anders moet zeggen.
‘Ja, graag,’ klinkt het zachtjes.
In de keuken staar ik naar het koffiezetapparaat. Mijn handen trillen een beetje als ik de filter vul. Ik denk aan vroeger, aan de ochtenden dat ze als klein meisje aan tafel zat met haar knuffelkonijn en me alles vertelde over haar dromen. Nu droomt ze alleen nog maar van verre reizen die ze nooit boekt en banen die ze nooit solliciteert.
Als ik terugkom met twee mokken koffie, zit ze rechtop en kijkt me aan. ‘Mam… waarom ben je altijd zo boos op mij?’
Het overvalt me. ‘Ik ben niet boos, Sanne. Ik ben… bezorgd.’
Ze knikt langzaam, maar haar ogen worden vochtig. ‘Ik weet gewoon niet wat ik moet doen met mijn leven.’
Ik ga naast haar zitten en pak haar hand vast. ‘Dat hoeft ook niet allemaal nu meteen te weten. Maar je moet wel íéts doen.’
Ze trekt haar hand terug en staart naar haar koffie. ‘Iedereen verwacht zoveel van me. Jij ook.’
‘Ik verwacht alleen dat je gelukkig wordt,’ zeg ik zacht.
‘Maar wat als dat niet lukt?’ fluistert ze.
Die avond lig ik wakker in bed. Ik hoor haar zachtjes praten via haar telefoon, waarschijnlijk met Iris of Femke – haar vriendinnen van de middelbare school die inmiddels allemaal samenwonen of kinderen hebben. Soms denk ik dat Sanne bang is om achter te blijven, maar tegelijkertijd durft ze geen stap vooruit te zetten.
De volgende ochtend tref ik haar huilend aan in de keuken. ‘Mam, mag ik bij jou blijven wonen? Voor altijd?’
Mijn hart breekt en tegelijkertijd voel ik woede opborrelen. ‘Sanne, je bent volwassen! Je moet leren op eigen benen te staan!’
Ze snikt harder. ‘Ik kan het niet alleen…’
Ik draai me om en loop naar buiten, de frisse ochtendlucht in. Mijn buurvrouw Anja steekt haar hoofd over de heg. ‘Alles goed daarbinnen?’ vraagt ze voorzichtig.
Ik schud mijn hoofd en voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik weet het niet meer, Anja. Ze is 32 en ze doet niks met haar leven…’
Anja knikt begrijpend. ‘Mijn zoon woont ook nog thuis hoor. Het is deze generatie, Marijke.’
Maar ergens geloof ik dat niet helemaal. Is het echt de generatie? Of heb ík gefaald als moeder?
Die middag probeer ik met Sanne te praten over kleine stappen: misschien een cursus volgen, vrijwilligerswerk doen, iets om haar wereld groter te maken dan deze vier muren.
‘Waarom moet alles altijd veranderen?’ vraagt ze boos.
‘Omdat stilstand achteruitgang is,’ zeg ik vermoeid.
Ze smijt de deur van haar kamer dicht en laat me achter met mijn gedachten.
’s Avonds belt mijn zus Els uit Groningen. ‘Je moet haar loslaten, Marijke,’ zegt ze streng. ‘Ze leert het pas als jij stopt met alles voor haar regelen.’
‘Maar wat als ze dan helemaal vastloopt?’ fluister ik.
‘Dan is dat haar pad,’ zegt Els onverbiddelijk.
De dagen verstrijken in een patroon van stilte en korte uitbarstingen. Soms denk ik dat we elkaar kwijt zijn geraakt ergens tussen haar puberteit en nu.
Op een zondagmiddag zit Sanne ineens naast me op de bank. Ze kijkt me aan met rode ogen.
‘Mam… wil je me helpen om hulp te zoeken? Ik denk dat ik het niet alleen kan.’
Mijn hart slaat over van opluchting en verdriet tegelijk. ‘Natuurlijk help ik je,’ zeg ik, terwijl ik haar stevig vasthoud.
We maken samen een afspraak bij de huisarts en later bij een psycholoog. Het is een moeizaam proces; soms wil ze afhaken, soms zie ik weer een sprankje hoop in haar ogen.
Op een avond zitten we samen thee te drinken als ze zegt: ‘Mam… dankjewel dat je niet hebt opgegeven.’
Ik glimlach door mijn tranen heen. ‘Dat zal ik nooit doen, Sanne.’
Nu zijn we maanden verder. Ze werkt nog steeds parttime, maar volgt daarnaast een cursus fotografie en heeft zelfs een paar nieuwe vrienden gemaakt via een clubje in het buurthuis.
Het gaat langzaam, maar er is beweging gekomen in ons leven – in háár leven vooral.
Soms vraag ik me af: hoeveel geduld kan een moeder hebben? En wanneer laat je echt los? Misschien zijn er meer moeders zoals ik die zich afvragen: heb ik genoeg gedaan? Of juist te veel?