Altijd een moederskind — zelfs als volwassen man: Mijn strijd tussen liefde en loyaliteit
‘Jeroen, je vergeet wie je bent als je haar kiest boven mij.’ De stem van mijn moeder trilde door de kleine keuken in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Haar ogen stonden vol tranen, maar haar blik was vastberaden. Ik stond tegenover haar, mijn handen trillend om de rand van het aanrecht.
‘Mam, ik ben dertig. Ik kan niet voor altijd bij jou blijven wonen,’ fluisterde ik, bijna smekend om haar begrip. Maar haar gezicht verstrakte. ‘Je vader heeft ons ook ooit verlaten. En kijk wat er van mij is geworden.’
Die woorden sneden dieper dan ik wilde toegeven. Mijn vader was vertrokken toen ik zeven was. Sindsdien was het altijd ‘wij tegen de rest van de wereld’ geweest. Mijn moeder, Marijke, had alles voor mij opgeofferd: haar carrière als verpleegkundige, haar sociale leven, zelfs haar eigen geluk. En nu stond ik op het punt haar te verlaten voor iemand anders.
Mijn vriendin, Anneke, was alles wat ik ooit had gehoopt te vinden. Ze was warm, slim, en had een aanstekelijke lach die zelfs op de donkerste dagen zonlicht bracht. Maar ze begreep niet waarom ik elke zondag bij mijn moeder moest eten, waarom ik altijd eerst haar mening vroeg voordat ik beslissingen nam. ‘Je bent een volwassen vent, Jeroen,’ zei ze vaak. ‘Wanneer ga je voor jezelf kiezen?’
De spanning tussen Anneke en mijn moeder groeide met de dag. Het begon klein: een opmerking over de soep die Anneke had gemaakt (‘Niet zoals ik hem maak, hè?’), een kritische blik op haar kleding (‘Vroeger droegen vrouwen nog jurken’). Maar naarmate onze relatie serieuzer werd, werden de steken gemener.
Op een avond, vlak na mijn 35e verjaardag, zat ik met Anneke op de bank in onze kleine huurwoning in Utrecht. Ze pakte mijn hand vast. ‘Jeroen… Ik wil met je trouwen. Maar niet als je moeder altijd tussen ons in blijft staan.’
Die woorden sloegen in als een bom. Ik wist dat ze gelijk had. Maar hoe kon ik kiezen? Mijn moeder had me alles gegeven. Maar Anneke was mijn toekomst.
De weken daarna voelde ik me verscheurd. Overdag werkte ik als docent Nederlands op een middelbare school; ’s avonds probeerde ik de vrede te bewaren tussen de twee vrouwen van wie ik hield. Mijn moeder belde elke dag – soms drie keer per dag – met vragen als: ‘Heb je wel genoeg gegeten?’ of ‘Zal ik je was even doen?’ Anneke rolde dan met haar ogen en liep weg.
Op een zondagmiddag barstte de bom. We zaten met z’n drieën aan tafel bij mijn moeder thuis. De sfeer was ijzig. Mijn moeder schonk koffie in en zei: ‘Anneke, weet je zeker dat je Jeroen aankan? Hij is nogal… gevoelig.’
Anneke legde haar kopje neer en keek me aan. ‘Jeroen, zeg het maar: wie is belangrijker? Je moeder of ik?’
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Mijn handen trilden zo erg dat ik bijna mijn kopje liet vallen.
‘Mam… Anneke… Ik…’
Mijn moeder snoof. ‘Zie je wel? Hij kan niet kiezen.’
Anneke stond op, haar ogen vol tranen. ‘Ik ga naar huis. Bel me maar als je weet wat je wilt.’
De stilte die volgde was ondraaglijk. Mijn moeder keek me aan, haar gezicht hard geworden van verdriet en teleurstelling.
‘Waarom doe je zo?’ vroeg ik zacht.
‘Omdat jij alles bent wat ik heb,’ fluisterde ze terug.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik lag te woelen in het logeerbed bij mijn moeder thuis – Anneke had niet meer gereageerd op mijn berichten. In het donker dacht ik terug aan mijn jeugd: hoe mijn moeder me troostte na nachtmerries, hoe ze me leerde fietsen, hoe ze altijd zei dat we samen alles aankonden.
Maar nu voelde het alsof haar liefde me verstikte.
De dagen daarna probeerde ik Anneke te bellen, maar ze nam niet op. Op school merkte mijn collega Pieter dat er iets mis was.
‘Je ziet eruit alsof je een week niet geslapen hebt,’ zei hij terwijl we samen in de lerarenkamer koffie dronken.
‘Het is… ingewikkeld thuis,’ mompelde ik.
Pieter knikte begrijpend. ‘Je moet loskomen van je moeder, Jeroen. Anders raak je alles kwijt.’
Zijn woorden bleven hangen.
Een week later stond Anneke ineens voor mijn deur. Haar ogen waren rood van het huilen.
‘Ik hou van je, Jeroen,’ zei ze zacht. ‘Maar ik kan dit niet meer. Je moet kiezen.’
Ik voelde paniek opkomen, maar ook een vreemd soort opluchting. Dit was het moment waarop alles zou veranderen.
Die avond ging ik naar mijn moeder toe. Ze zat in haar stoel bij het raam, breiend aan een sjaal die ze nooit zou dragen.
‘Mam… Ik moet met je praten.’
Ze keek op, haar ogen vol verwachting.
‘Ik hou van je. Maar ik moet nu voor mezelf kiezen. Voor Anneke.’
Ze liet haar breiwerk vallen en begon te huilen – grote, schokkende snikken die door merg en been gingen.
‘Dus je laat me gewoon achter? Net als je vader?’
‘Nee mam… Ik laat je niet achter. Maar ik ben geen kind meer.’
Het duurde lang voordat ze kalmeerde. Uiteindelijk knikte ze langzaam.
‘Ga maar,’ fluisterde ze. ‘Maar vergeet nooit wie er altijd voor je was.’
Met lood in mijn schoenen liep ik naar buiten. De lucht was koud en helder; de sterren fonkelden boven de lege straat.
Anneke wachtte thuis op me. Ze sloeg haar armen om me heen en fluisterde: ‘Dank je.’
Het duurde maanden voordat de wonden enigszins genazen. Mijn moeder belde minder vaak; soms stuurde ze alleen een kaartje met ‘Liefs, mam’. Anneke en ik trouwden uiteindelijk in een klein zaaltje in Utrecht, zonder familie – alleen vrienden die begrepen wat we hadden doorgemaakt.
Soms vraag ik me af of ik het juiste heb gedaan. Of liefde altijd betekent dat je moet kiezen tussen mensen die je dierbaar zijn.
Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken? En hoe weet je zeker dat je het juiste doet als iedereen pijn heeft?