Wanneer vergeving onmogelijk lijkt: Mijn vlucht met mijn baby en de strijd om mezelf terug te vinden

‘Sophie, je overdrijft weer. Het is niet zo erg als jij denkt.’

De stem van Thomas galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de luiertas dichtdoe. Mijn zoon, kleine Daan, slaapt onrustig in zijn wiegje. Buiten tikt de regen tegen het raam, alsof de hemel zelf mijn verdriet wil onderstrepen. Ik kijk naar de klok: 02:13 uur. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Dit is het moment. Mijn moment.

‘Mama?’ fluister ik zachtjes naar Daan, alsof hij me kan horen en begrijpen. ‘We gaan weg. We moeten weg.’

De afgelopen maanden zijn een waas van kille blikken, korte antwoorden en eenzaamheid geweest. Thomas was er fysiek, maar zijn hart was ergens anders – misschien bij zijn werk, misschien bij een ander, misschien gewoon niet meer bij mij. Elke dag probeerde ik het gesprek aan te gaan.

‘Thomas, wil je alsjeblieft met me praten?’ vroeg ik op een avond terwijl ik de aardappels afgiette.

Hij keek niet op van zijn telefoon. ‘Waarover?’

‘Over ons. Over hoe het gaat.’

Hij zuchtte. ‘Het gaat toch gewoon? Je maakt overal een probleem van.’

Die woorden sneden dieper dan ik wilde toegeven. Ik voelde me steeds kleiner worden, onzichtbaar in mijn eigen huis in Utrecht-Oost. Mijn ouders woonden in Amersfoort, maar ik durfde hen niet te vertellen hoe slecht het ging. Mijn moeder zou zeggen dat ik moest volhouden, dat het erbij hoort. Mijn vader zou zwijgen en zich terugtrekken in zijn schuur.

De enige die me echt zag, was mijn zusje Lotte. Zij belde elke week.

‘Sophie, je klinkt zo moe. Gaat het wel?’

‘Het gaat,’ loog ik.

‘Je hoeft niet alles alleen te doen, hè? Kom desnoods bij mij logeren.’

Maar ik wilde niet zwak lijken. Ik wilde niet falen als moeder, als vrouw.

Tot vannacht. Toen Thomas thuiskwam van een ‘late vergadering’ en zonder iets te zeggen naar boven liep. Ik hoorde hem douchen, hoorde het water stromen als een muur tussen ons in. Ik zat beneden aan de keukentafel, starend naar de foto van ons op Texel, drie jaar geleden. We lachten daar nog samen. Waar was dat gebleven?

Ik pak Daan voorzichtig op en trek zijn jasje aan. Zijn kleine vuistje grijpt naar mijn vinger. Mijn hart breekt opnieuw.

‘Sorry, liefje,’ fluister ik. ‘Maar mama kan dit niet meer.’

Ik sluip naar buiten, de regen in. Mijn fiets staat klaar onder het afdakje. Daan in het zitje, tas aan het stuur. Ik fiets door de lege straten van Utrecht, elke traan vermengd met de regen op mijn wangen.

Bij Lotte aangekomen doet ze meteen open.

‘Sophie! Wat is er gebeurd?’

Ik val haar huilend om de hals.

‘Ik kon niet meer, Lot. Ik kon gewoon niet meer.’

Ze zegt niets, houdt me alleen maar vast terwijl Daan zachtjes begint te jammeren.

De dagen daarna zijn een waas van telefoontjes, instanties en slapeloze nachten. Thomas belt niet eens om te vragen waar we zijn. Pas na drie dagen krijg ik een appje: ‘Waar ben je? Wanneer kom je terug?’ Geen ‘Hoe gaat het met Daan?’ Geen ‘Maak je het goed?’

Lotte helpt me met alles: opvang regelen voor Daan, contact opnemen met een maatschappelijk werker, zelfs boodschappen doen. Maar ’s nachts lig ik wakker naast haar op de logeerkamer en vraag ik me af of ik het juiste heb gedaan.

Op een avond belt mijn moeder.

‘Sophie, wat is er aan de hand? Thomas heeft gebeld.’

Ik slik.

‘Mam… ik ben weg bij hem.’

Stilte aan de andere kant.

‘Sophie… dat kan toch niet zomaar? Je hebt een kind samen!’

‘Mam, ik was ongelukkig. Hij… hij zag me niet meer staan.’

Ze zucht diep.

‘Vroeger losten we zulke dingen samen op. Je moet vechten voor je gezin.’

‘Ik heb gevochten, mam. Maar ik kan niet alleen vechten.’

Na dat gesprek voel ik me nog schuldiger. Alsof ik niet alleen mezelf teleurstel, maar ook iedereen om me heen.

De weken verstrijken. Ik vind een tijdelijke woning via de gemeente – een kleine flat in Overvecht met uitzicht op grijze flats en een speeltuin waar altijd wind staat. Het is niet veel, maar het is van mij en Daan.

Thomas komt één keer langs om spullen te halen. Hij kijkt me nauwelijks aan.

‘Dus dit is het dan?’ zegt hij kil.

‘Dit is het,’ antwoord ik zachtjes.

Hij knikt en loopt weg zonder om te kijken.

’s Nachts huil ik in mijn kussen terwijl Daan naast me slaapt in zijn ledikantje. Soms droom ik dat Thomas terugkomt, dat hij zegt dat hij me mist – maar als ik wakker word is alles stil en leeg.

Langzaam begin ik mezelf weer te vinden. Ik ga naar een praatgroep voor alleenstaande moeders in het buurthuis. Daar ontmoet ik vrouwen als Fatima uit Kanaleneiland en Marieke uit Leidsche Rijn – allemaal met hun eigen verhalen van verlies en hoop.

Op een dag vraagt Marieke: ‘Heb je ooit spijt gehad?’

Ik kijk naar Daan die speelt met een houten treinbaan.

‘Elke dag,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar ik weet ook dat blijven nog veel erger was geweest.’

We lachen samen door onze tranen heen.

De band met mijn ouders blijft moeizaam. Mijn moeder komt soms langs, brengt stamppot en probeert voorzichtig te vragen of ik het wel red.

‘Je bent zo mager geworden,’ zegt ze bezorgd terwijl ze Daan op schoot neemt.

‘Het gaat wel,’ zeg ik, maar ze kijkt dwars door me heen.

Op een avond zit ik op het balkon met een kop thee terwijl de zon ondergaat achter de flats. Daan slaapt eindelijk rustig na weer een dag vol peuterdriftbuien en snotneuzen.

Ik denk aan alles wat ik heb verloren – mijn huwelijk, mijn huis, mijn oude leven – maar ook aan wat ik heb gewonnen: vrijheid, ruimte om te ademen, de kans om mezelf opnieuw uit te vinden.

Soms vraag ik me af of Thomas ooit zal begrijpen waarom ik ben gegaan. Of hij ooit zal beseffen hoeveel pijn zijn onverschilligheid heeft gedaan.

En soms vraag ik me af: had ik anders kunnen kiezen? Had liefde sterker kunnen zijn dan trots en pijn?

Wat zouden jullie hebben gedaan? Zou jij kunnen vergeven als je hart al zo vaak gebroken is?