De dag dat mijn zoon mij vergat

‘Mam, ik denk dat het beter is als je niet meegaat. Anne vindt het fijner als het alleen met ons gezin is.’

Die woorden galmen nog steeds na in mijn hoofd, alsof ze met een hamer in mijn hart zijn geslagen. Ik sta in de hal van mijn appartement in Utrecht, mijn koffer half ingepakt, mijn handen trillend. Mijn zoon, Daan, mijn enige kind, kijkt me niet aan terwijl hij het zegt. Zijn blik is gericht op de vloer, zijn schouders gespannen. Ik voel hoe de grond onder mijn voeten wegzakt.

‘Maar Daan… ik heb alles al geregeld. De trein naar Schiphol, mijn paspoort, zelfs een nieuwe jurk gekocht voor op het strand. Je weet toch hoe graag ik erbij wilde zijn?’ Mijn stem breekt. Ik hoor mezelf smeken, iets wat ik mezelf had gezworen nooit te doen.

Hij zucht diep. ‘Mam, het is niet persoonlijk. Anne vindt het gewoon… lastig. Ze wil tijd met haar eigen gezin. Je weet hoe ze is.’

Ik weet inderdaad hoe Anne is. Sinds de dag dat Daan haar mee naar huis nam, voelde ik dat er iets tussen ons stond. Ze was beleefd, maar afstandelijk. Altijd een glimlach, maar nooit warmte. En nu, na jaren proberen haar te laten zien dat ik geen bedreiging ben, word ik buitengesloten van iets waar ik zo naar uitkeek: een familiereis naar Texel, met mijn kleinkinderen die ik amper zie.

De stilte tussen ons wordt ondraaglijk. Ik hoor het getik van de klok aan de muur, het zachte gezoem van de koelkast. Alles lijkt ineens veel te luid.

‘Dus… je wilt dat ik thuisblijf?’ vraag ik zachtjes.

Daan knikt. ‘Het is beter zo, mam. Echt.’

Ik slik de tranen weg die achter mijn ogen branden en knik langzaam. ‘Goed dan. Als dat is wat jullie willen.’

Hij pakt zijn jas en vertrekt zonder nog iets te zeggen. De deur valt dicht met een klap die door merg en been gaat.

Ik blijf achter in een huis dat ineens veel te groot en te stil voelt. Mijn koffer staat nog steeds half open op het bed, het nieuwe zomerjurkje bovenop. Ik pak het op, voel aan de stof en ruik zelfs nog de geur van de winkel waar ik het kocht. Het was bedoeld voor een zonnige dag op het strand met mijn familie. Nu lijkt het plotseling zinloos.

De dagen die volgen zijn een waas van verdriet en verwarring. Mijn zus Marijke belt me op.

‘Wat is er met je stem? Je klinkt zo… leeg.’

Ik vertel haar wat er gebeurd is. Ze vloekt zachtjes aan de andere kant van de lijn.

‘Dat laat je toch niet gebeuren, Els? Je hebt alles voor die jongen gedaan! Hoe durft hij je zo te behandelen?’

Ik weet het niet. Misschien heb ik ergens gefaald als moeder. Misschien heb ik Daan te veel verwend, of juist te weinig laten zien hoeveel hij voor me betekent. Of misschien is het gewoon Anne die hem tegen mij opzet.

De dagen worden weken. Op Facebook zie ik foto’s verschijnen van Daan, Anne en de kinderen op Texel. Ze lachen allemaal breeduit op het strand, vliegers in de lucht, zandkastelen bouwen. Mijn kleindochter Noor heeft haar armpjes om Daan heen geslagen; mijn kleinzoon Bram springt in de branding.

Ik voel een steek van jaloezie en verdriet. Dat had ik moeten zijn, daar op dat strand. Ik had Noor willen helpen met haar vlieger, Bram willen insmeren tegen de zon.

Op een avond besluit ik Daan te bellen. Mijn handen trillen als ik zijn nummer intoets.

‘Hoi mam,’ klinkt zijn stem afstandelijk.

‘Daan… ik mis jullie,’ zeg ik zachtjes. ‘Ik mis de kinderen.’

Hij zucht weer – altijd dat zuchten – en zegt: ‘Mam, we hebben het druk gehad. Het was fijn op Texel.’

‘Fijn zonder mij?’ vraag ik, voordat ik mezelf kan tegenhouden.

Er valt een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Mam… soms moet je dingen accepteren zoals ze zijn.’

Ik hang op voordat hij verder kan praten. Tranen stromen over mijn wangen terwijl ik naar buiten kijk, waar de regen tegen het raam tikt.

De weken verstrijken en ik probeer mezelf af te leiden met vrijwilligerswerk in het buurthuis en koffie met Marijke. Maar elke keer als ik kinderen hoor lachen in het parkje voor mijn huis, voel ik weer die pijnlijke leegte.

Op een dag staat Anne plotseling voor mijn deur. Ze heeft Noor bij zich.

‘Els… mag Noor even bij jou blijven? Ik moet iets regelen in de stad.’

Noor kijkt me verlegen aan en steekt haar handje naar me uit.

‘Natuurlijk,’ zeg ik, terwijl mijn hart sneller klopt van blijdschap.

Als Anne vertrokken is, ga ik met Noor koekjes bakken in de keuken. Ze lacht om het deeg aan haar vingers en vertelt over Texel.

‘Oma, waarom was jij er niet bij?’ vraagt ze ineens.

Ik slik en probeer te glimlachen. ‘Soms willen grote mensen dingen anders doen dan wij zouden willen, lieverd.’

Ze knikt alsof ze het begrijpt en pakt mijn hand vast.

Als Anne terugkomt, kijkt ze me even aan – haar blik zachter dan anders.

‘Dank je wel, Els,’ zegt ze zachtjes.

Die avond lig ik wakker in bed en denk na over alles wat er gebeurd is. Heb ik gefaald als moeder? Had ik harder moeten vechten voor mijn plek in hun leven? Of moet ik accepteren dat sommige dingen niet meer worden zoals vroeger?

De volgende dag besluit ik een brief te schrijven aan Daan:

‘Lieve Daan,
Ik hou van je en zal altijd van je blijven houden, ongeacht wat er gebeurt tussen ons. Maar mijn hart doet pijn omdat ik buitengesloten word uit jouw leven en dat van de kinderen. Ik hoop dat je ooit begrijpt hoeveel je voor mij betekent en hoeveel pijn dit doet.’

Ik weet niet of hij ooit zal antwoorden. Maar misschien is dit alles wat ik kan doen: mijn liefde uitspreken, zelfs als die niet wordt beantwoord.

Soms vraag ik me af: hoeveel kan een moeder verdragen voordat ze breekt? En hoeveel liefde blijft er over als je steeds weer wordt afgewezen door degene die je het meest liefhebt?

Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?