Hoe één euro mijn leven veranderde: Van dakloos naar steenrijk door een onverwachte ontmoeting
‘Mam, waarom eten we alweer brood met pindakaas?’
De stem van mijn oudste zoon, Daan, trilt. Ik kijk hem aan, zijn blauwe ogen vol verwachting en teleurstelling. Mijn hart breekt. ‘Omdat het even niet anders kan, lieverd,’ zeg ik zacht, terwijl ik de korstjes van het brood snijd voor mijn jongste, Lotte. Mijn handen trillen. Ik voel de blikken van mijn drie kinderen op mij branden. Ze weten dat er iets mis is, maar ik probeer sterk te blijven.
Het is koud in de opvang in Utrecht. De muren zijn grauw, het licht flikkert. Mijn ex-man, Erik, heeft ons vorig jaar verlaten voor een jongere vrouw. Sindsdien is alles bergafwaarts gegaan. De schulden stapelden zich op, de huur kon ik niet meer betalen. Mijn ouders, Jan en Marijke, wilden me niet helpen. ‘Je hebt je eigen keuzes gemaakt, Sanne,’ zei mijn moeder hard toen ik haar om hulp vroeg. ‘Je had nooit met Erik moeten trouwen.’
Ik voel me verscheurd tussen schaamte en woede. Maar ik heb geen tijd om te huilen. Mijn kinderen rekenen op mij.
Die avond loop ik met Lotte op mijn arm naar de supermarkt. Ik heb nog precies drie euro in mijn portemonnee. Genoeg voor een pak melk en een brood. Terwijl ik bij de kassa sta, zie ik een oude man wankelend bij het schap met waterflessen staan. Zijn handen trillen erger dan de mijne. Hij kijkt me aan, zijn ogen waterig en wanhopig.
‘Mevrouw… zou u me kunnen helpen? Ik heb water nodig voor mijn medicijnen, maar…’
Ik twijfel. Mijn kinderen hebben honger. Maar iets in zijn blik raakt me diep.
‘Natuurlijk,’ zeg ik uiteindelijk en geef hem mijn laatste geld.
Hij pakt mijn hand vast, zijn huid dun als papier. ‘Dank u wel… u heeft geen idee wat dit voor mij betekent.’
Ik glimlach flauwtjes en loop naar buiten, zonder boodschappen. Lotte begint te huilen. Ik wieg haar zachtjes heen en weer terwijl ik naar huis loop. De kou snijdt door mijn jas heen.
Die nacht slaap ik nauwelijks. Daan en Lotte liggen tegen me aan in het smalle bed van de opvangkamer. Mijn gedachten razen: wat heb ik gedaan? Hoe moet ik morgen mijn kinderen voeden?
De volgende ochtend word ik gewekt door een klop op de deur. Een vrouw van de opvang staat in de deuropening met een envelop in haar hand.
‘Sanne? Er is iemand voor je geweest. Hij vroeg of ik dit aan je wilde geven.’
Verward neem ik de envelop aan. Binnenin zit een briefje:
‘Lieve mevrouw,
Uw goedheid heeft mij diep geraakt. Ik ben niet wie u denkt dat ik ben. Mijn naam is Hendrik van Vliet, voormalig directeur van Van Vliet Vastgoed. Gisteren was een test – niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de menselijkheid in deze wereld.
Ik wil u helpen zoals u mij geholpen heeft.
Kom morgen om 10:00 uur naar het adres op de achterkant van deze brief.’
Mijn handen beven als ik het adres lees: Maliebaan 12, een van de duurste straten van Utrecht.
‘Mam? Wat is er?’ vraagt Daan slaperig.
‘Niks, lieverd… misschien verandert alles vandaag.’
De volgende ochtend trek ik mijn netste kleren aan – een oude spijkerbroek en een trui zonder gaten – en neem de kinderen mee naar het opgegeven adres. Het huis is enorm, met hoge ramen en een smeedijzeren hek.
Een butler doet open en leidt ons naar een warme woonkamer waar Hendrik zit te wachten, nu in een net pak.
‘Mevrouw Jansen,’ zegt hij vriendelijk. ‘U heeft iets gedaan wat weinig mensen nog doen: u gaf zonder iets terug te verwachten.’
Ik voel me ongemakkelijk onder zijn blik.
‘Ik wil u helpen,’ vervolgt hij. ‘Ik heb een leegstaand appartement in de stad. U mag er gratis wonen zolang u wilt. Daarnaast wil ik u een baan aanbieden als administratief medewerker bij mijn stichting voor kansarme gezinnen.’
Ik kan niets zeggen. Tranen stromen over mijn wangen terwijl Daan mijn hand pakt.
‘Is dit echt?’ fluister ik.
Hendrik knikt. ‘Soms moet je het geluk zelf uitdagen.’
De weken daarna veranderen alles. We verhuizen naar het appartement; het is klein maar schoon en warm. De kinderen krijgen hun eigen bedden, hun eigen speelgoedhoekje. Ik begin te werken bij de stichting en ontmoet andere moeders die hetzelfde hebben meegemaakt als ik.
Maar niet alles is rozengeur en maneschijn. Mijn moeder belt na maanden stilte.
‘Dus je hebt nu ineens alles weer op orde? Door zomaar wat geluk?’ Haar stem klinkt zuur.
‘Mam… het was geen geluk alleen. Ik heb hard gewerkt en…’
‘Je hebt altijd geluk gehad, Sanne. Je leert het nooit.’
Ik hang op met tranen in mijn ogen. Waarom kan ze niet gewoon trots zijn?
Op het werk krijg ik te maken met jaloezie van collega’s die vinden dat ik bevoordeeld word door Hendrik.
‘Jij krijgt zeker weer alles in je schoot geworpen,’ sist Marloes op een dag bij het koffieapparaat.
‘Je weet niet wat ik heb meegemaakt,’ antwoord ik zacht.
Maar haar woorden blijven hangen.
Toch geef ik niet op. Elke dag vecht ik voor mijn kinderen, voor mezelf, voor een toekomst waarin we niet meer hoeven te overleven maar kunnen leven.
Op een dag komt Erik langs om de kinderen op te halen voor een weekendje weg.
‘Je hebt het goed voor elkaar nu hè?’ zegt hij spottend terwijl hij naar onze nieuwe woning kijkt.
‘Ja,’ zeg ik rustig. ‘En dat heb ik helemaal zelf gedaan.’
Hij lacht schamper en rijdt weg met Daan en Lotte achterin de auto.
’s Avonds zit ik alleen op de bank, kijkend naar oude foto’s van vroeger – van Erik en mij toen alles nog goed leek, van mijn ouders die toen nog lachten om mijn grappen.
Heb ik gefaald als dochter? Als vrouw? Of ben ik juist sterker geworden door alles wat ik heb meegemaakt?
Soms vraag ik me af: hoeveel mensen lopen er rond die net als Hendrik wachten op een teken van goedheid? En hoeveel mensen durven hun laatste euro te geven als ze zelf niets meer hebben?
Zou jij het doen? Zou jij je laatste beetje hoop delen met een vreemde?