“Ik heb je dochter op straat gevonden” – Een Onvergetelijke Nacht in Rotterdam
‘Waar ben je, Eva?’ De stem van mijn moeder trilt door de telefoon. Ik hoor haar ademhaling, snel en onrustig. ‘Mam, ik ben onderweg naar huis. Wat is er aan de hand?’ Mijn hart bonkt in mijn keel, want mijn moeder belt nooit zomaar op een doordeweekse avond. ‘Je moet nú komen. Ik heb je dochter gevonden… op straat.’
Mijn benen worden slap. ‘Wat bedoel je? Waar is Noor?’ Mijn dochter van zestien, die de laatste tijd steeds vaker te laat thuiskomt, zich afsluit en met niemand praat. ‘Ze zat op een bankje bij het metrostation, helemaal overstuur. Kom alsjeblieft snel.’
Ik gooi mijn fiets tegen het hek en ren het huis binnen van mijn moeder, Barbara. In de woonkamer zit Noor ineengedoken op de bank, haar mascara uitgelopen, haar handen trillend om een kop thee. Mijn moeder staat ernaast, haar armen over elkaar, haar blik streng maar bezorgd.
‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik, mijn stem breekt. Noor kijkt me niet aan. ‘Niks,’ fluistert ze. ‘Laat me met rust.’
‘Eva, ze was helemaal alleen. Het regende. Ze wilde niet zeggen wat er aan de hand was,’ zegt mijn moeder. Haar ogen priemen in de mijne. ‘Dit kan zo niet langer.’
Ik voel me schuldig en boos tegelijk. ‘Mam, ik doe mijn best! Het is niet makkelijk sinds Mark weg is.’
Mijn moeder zucht diep. ‘Misschien moet je eens naar jezelf kijken. Je werkt te veel, Eva. Je bent nooit thuis.’
Noor springt op. ‘Hou op! Jullie snappen er niks van!’ Ze stormt de trap op naar mijn oude slaapkamer.
Ik zak neer op de bank, mijn hoofd in mijn handen. ‘Wat moet ik doen, mam? Ik weet het niet meer.’
Barbara gaat naast me zitten en legt haar hand op mijn knie. ‘Misschien moet je haar gewoon laten praten als ze er klaar voor is. Maar je moet er wel zijn als ze je nodig heeft.’
Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik hoor Noor snikken door de muur heen. Mijn gedachten razen: waar is het misgegaan? Was het toen Mark vertrok? Of toen ik die baan aannam in het ziekenhuis en steeds vaker nachtdiensten draaide?
De volgende ochtend zit Noor zwijgend aan het ontbijt. Mijn moeder schenkt koffie in en probeert luchtig te doen. ‘Wil je een boterham met kaas, Noor?’ Noor schudt haar hoofd.
‘Noor…’ begin ik voorzichtig. Ze kijkt op, haar ogen rood van het huilen.
‘Mam… ik…’ Ze slikt. ‘Ik kan het niet meer aan op school. Iedereen kijkt me aan, ze weten dat papa weg is. En jij bent er nooit.’
Mijn hart breekt. ‘Waarom heb je niks gezegd?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Je hebt het al zo druk.’
Mijn moeder kijkt me veelbetekenend aan.
‘Noor, ik beloof je… ik ga minder werken. We gaan samen hulp zoeken, oké?’
Ze knikt langzaam.
De weken daarna probeer ik alles anders te doen. Ik neem onbetaald verlof, ben elke middag thuis als Noor uit school komt. We praten – soms huilend, soms schreeuwend – over alles wat pijn doet: over Mark die een nieuw gezin heeft in Utrecht, over hoe alleen we ons voelen in dit huis in Rotterdam-Zuid.
Op een avond zitten we samen op de bank als Noor opeens zegt: ‘Mam, weet je nog dat we vroeger altijd samen naar de kermis gingen?’
Ik glimlach door mijn tranen heen. ‘Ja, lieverd. Dat was onze dag.’
‘Kunnen we dat weer doen? Gewoon… iets leuks samen?’
‘Natuurlijk,’ zeg ik zacht.
Maar niet alles gaat vanzelf beter. Op school blijft Noor worstelen; haar cijfers kelderen en ze krijgt ruzie met haar beste vriendin Sanne.
Op een avond komt ze thuis met een blauw oog.
‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik geschrokken.
Ze kijkt weg. ‘Niks.’
‘Noor…’
Ze barst in huilen uit. ‘Sanne zei dat ik raar ben geworden sinds papa weg is! Dat niemand mij nog leuk vindt!’
Ik neem haar in mijn armen en wieg haar heen en weer zoals toen ze klein was.
De volgende dag bel ik de mentor van Noor en leg alles uit. Samen regelen we gesprekken met een schoolmaatschappelijk werker.
Langzaam zie ik Noor weer opleven. Ze begint weer te lachen om flauwe grappen op tv, vraagt of ze mag koken (‘alleen als jij de afwas doet, mam!’) en zelfs Sanne komt weer langs.
Toch blijft er iets knagen.
Op een avond als Noor slaapt, zit ik met mijn moeder aan tafel.
‘Denk je dat het ooit weer goedkomt?’ vraag ik zacht.
Barbara pakt mijn hand vast. ‘Het leven is nooit perfect, Eva. Maar zolang jullie elkaar hebben…’
Ik knik en kijk naar de foto’s aan de muur: Mark met Noor op zijn schouders bij de Euromast; Noor als peuter in een regenplas; ikzelf, jonger en zorgelozer dan nu.
Soms vraag ik me af: had ik dingen anders moeten doen? Had ik harder moeten vechten voor mijn gezin? Of is dit gewoon hoe het leven loopt?
Wat denken jullie: kun je als ouder ooit genoeg doen voor je kind? Of blijven we altijd twijfelen aan onszelf?