Onder de Regen van Rotterdam: Mijn Leven met Lotte

‘Waarom ben je hier? Waarom nu pas?’ Mijn stem trilt terwijl ik naar de vrouw kijk die voor mijn deur staat. Haar regenjas druipt op de mat, haar ogen zijn rood van het huilen. Ze lijkt op mij, maar jonger, sterker misschien.

Ik ben Marjan van der Velde, 54 jaar, en ik woon al mijn hele leven in een klein appartement aan de rand van Rotterdam-Zuid. Mijn dagen zijn gevuld met werken in de supermarkt, sparen voor de huur en het tellen van de munten in mijn portemonnee. Mijn familie is verspreid geraakt over Nederland; mijn ouders overleden jong, mijn broer is naar Groningen verhuisd en belt alleen met kerst. Ik had nooit kinderen, nooit een partner die bleef.

Tot die nacht, nu bijna zestien jaar geleden. Het was herfst, de wind gierde door de straten en de regen sloeg tegen de ramen alsof de hemel zelf boos was. Ik was laat thuis van mijn werk, moe en koud, toen ik langs de oude Maranathakerk liep. Daar hoorde ik het: een zwak gehuil, bijna overstemd door het onweer. Ik keek om me heen, niemand te zien. Toen zag ik haar: een baby, gewikkeld in een doorweekte deken, achtergelaten op de stenen trap van de kerk.

‘Wat moet ik doen?’ vroeg ik mezelf hardop, terwijl ik haar voorzichtig optilde. Haar gezichtje was rood van het huilen, haar handjes klam. Niemand kwam opdagen, niemand reageerde op mijn roepen. De dominee was op vakantie, de buurt was uitgestorven. Ik kon haar niet achterlaten.

Thuis legde ik haar in mijn oude wieg – ooit gekocht op een rommelmarkt, ‘voor later’. Later was nu. Ik noemde haar Lotte.

De eerste weken waren zwaar. Lotte huilde veel, sliep weinig. Ik had geen idee wat ik deed; alles wat ik wist over baby’s kwam uit boeken van de bibliotheek en gesprekken met oude buurvrouwen. Maar langzaam groeide er iets tussen ons – een band die sterker werd met elke slapeloze nacht en elk eerste lachje.

‘Je bent alles wat ik heb,’ fluisterde ik vaak tegen haar als ze eindelijk sliep.

De jaren gingen voorbij. Lotte groeide op tot een nieuwsgierig meisje met grote blauwe ogen en een ontembare wil. Ze stelde vragen waar ik geen antwoord op had: ‘Waar is mijn echte mama? Waarom heb ik geen papa?’

Ik probeerde eerlijk te zijn. ‘Ik weet het niet, lieverd. Maar ik hou van je alsof je van mij bent.’

Toen Lotte acht was, kwam Jeugdzorg langs. Iemand had geklaagd dat ik ‘te oud’ was om voor een kind te zorgen. Ze vroegen me het hemd van het lijf: hoe ik aan geld kwam, of Lotte wel genoeg te eten kreeg, of ze gelukkig was.

‘Ze is mijn dochter,’ zei ik fel tegen de vrouw van Jeugdzorg. ‘Misschien niet van bloed, maar wel van hart.’

Ze lieten ons met rust, maar het zaadje van onzekerheid was geplant. Lotte begon te puberen; ze werd opstandig, bleef weg uit school, kreeg ruzie met mij over alles – haar kleding, haar vrienden, haar toekomst.

‘Je begrijpt me niet!’ schreeuwde ze eens toen ik haar vroeg waar ze zo laat vandaan kwam.

‘Ik probeer het wel!’ riep ik terug, maar mijn stem brak.

Op haar vijftiende vond ze een brief in een oude doos op zolder – een brief die bij haar lag toen ik haar vond. De brief was vaag: ‘Voor wie haar vindt – geef haar alsjeblieft een kans op geluk.’ Geen naam, geen uitleg.

Lotte werd stil na het lezen van die brief. Ze trok zich terug, sprak weinig met me. Ik voelde haar wegglippen en kon niets doen.

En nu staat deze vrouw voor mijn deur – natgeregend, nerveus. Ze zegt dat ze Marieke heet en dat ze uit Utrecht komt.

‘Ik… ik denk dat Lotte mijn dochter is,’ zegt ze zacht.

Mijn hart slaat over.

‘Hoe weet je dat?’ vraag ik scherp.

Ze haalt een vergeelde foto uit haar tas – een baby in dezelfde deken als die waarin ik Lotte vond.

‘Ik was jong, bang… Mijn ouders wilden niet dat ik haar hield. Ze dwongen me haar achter te laten.’

Ik voel woede en verdriet tegelijk. Zestien jaar heb ik voor Lotte gezorgd – door armoede heen, door eenzaamheid heen – en nu komt deze vrouw haar opeisen?

Lotte komt net thuis van school als Marieke nog in de gang staat. Ze kijkt van mij naar Marieke en weer terug.

‘Wie is dat?’ vraagt ze.

‘Lotte…’ begin ik aarzelend.

Marieke stapt naar voren. ‘Ik ben je moeder.’

De stilte is ondraaglijk. Lotte’s ogen vullen zich met tranen.

‘Waarom nu pas?’ fluistert ze.

Marieke huilt zachtjes. ‘Omdat ik eindelijk sterk genoeg ben om je te zoeken.’

Lotte draait zich om naar mij. ‘Wat moet ik doen?’

Ik weet het niet. Mijn hart breekt bij het idee haar kwijt te raken, maar wie ben ik om haar tegen te houden?

De weken daarna zijn een hel. Lotte wil Marieke leren kennen, maar blijft bij mij wonen. We praten veel – over vroeger, over keuzes maken, over wat familie betekent.

Op een avond zitten we samen aan tafel. Lotte kijkt me aan met die grote blauwe ogen.

‘Ben je boos op me?’ vraagt ze zacht.

‘Nee,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar ik ben bang je kwijt te raken.’

Ze pakt mijn hand vast. ‘Jij bent ook mijn moeder.’

En zo leven we verder – met drie vrouwen die elkaar zoeken tussen schuldgevoelens en hoop op vergeving.

Soms vraag ik me af: Had ik het recht om Lotte bij me te houden? Of is liefde genoeg om familie te zijn?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen loslaten of vasthouden?