Dat weekend dat nooit van mij was: een telefoontje van mijn schoonmoeder veranderde alles
‘Je komt toch wel dit weekend, hè?’ De stem van mijn schoonmoeder, Gerda, klonk dwingend door de telefoon. Ik keek naar mijn man, Jeroen, die met zijn rug naar me toe stond en deed alsof hij niets hoorde. Mijn hart bonsde in mijn borst. Ik had me zo verheugd op een weekend zonder verplichtingen, eindelijk tijd voor mezelf na een slopende werkweek op het gemeentehuis in Amersfoort. Maar Gerda’s stem liet geen ruimte voor twijfel.
‘Eh… Gerda, we hadden eigenlijk geen plannen om te komen. Ik wilde even bijtanken, weet je wel?’ probeerde ik voorzichtig.
‘Ach meisje, je weet toch dat Jan jarig is? Je schoonvader wordt zeventig! De hele familie komt. Het zou zo jammer zijn als jullie er niet bij zijn.’
Ik voelde de druk als een zware deken op mijn schouders vallen. Jeroen draaide zich om en keek me aan met die blik die alles zei: “Zeg maar gewoon ja, anders wordt het gedoe.”
‘We komen,’ hoorde ik mezelf zeggen. Mijn stem klonk vreemd, alsof ik iemand anders was. Gerda klonk opgelucht en begon meteen te ratelen over wie wat mee moest nemen. Ik hoorde haar amper nog. In mijn hoofd schreeuwde ik: “Waarom mag ik nooit eens kiezen?”
Toen ik ophing, liet ik me op de bank vallen. Jeroen kwam naast me zitten en legde zijn hand op mijn knie. ‘Sorry,’ zei hij zacht. ‘Ze bedoelt het goed.’
‘Maar wanneer is het eens aan ons?’ snauwde ik terug. ‘Ik ben zo moe van altijd maar moeten.’
Hij zuchtte en stond weer op. ‘Het is maar één weekend.’
Maar het was nooit maar één weekend. Het was altijd iets: verjaardagen, klusdagen, familiediners. Altijd bij zijn familie, altijd volgens hun regels. Mijn eigen ouders woonden in Groningen en zagen we hooguit twee keer per jaar.
Vrijdagavond reden we naar Apeldoorn, waar Gerda en Jan woonden in een keurige twee-onder-een-kapwoning met een tuin vol hortensia’s. De spanning kroop in mijn nek toen we de straat inreden. Jeroen probeerde luchtig te doen: ‘Misschien valt het mee dit keer.’
Gerda stond al in de deuropening toen we uitstapten. ‘Daar zijn jullie! Kom snel binnen, het is al zo druk!’ Ze trok me bijna naar binnen en drukte een kus op mijn wang. Haar parfum prikte in mijn neus.
Binnen was het een chaos van stemmen, gelach en kinderen die door de gang renden. Jeroens zus Marieke stond in de keuken met haar man Bas, die altijd net iets te hard lachte om zijn eigen grappen. Ik voelde me meteen weer dat meisje van vroeger dat niet wist waar ze moest staan op een druk schoolplein.
‘Wat fijn dat je er bent, Eva!’ Marieke gaf me een knuffel en duwde me een schaal met bitterballen in handen. ‘Kun jij deze even rondbrengen? Mam heeft haar handen vol.’
Ik slikte mijn ergernis weg en glimlachte gemaakt. ‘Natuurlijk.’
Terwijl ik door de kamer liep, hoorde ik flarden van gesprekken:
‘Heb je al gehoord dat Bas promotie heeft gemaakt?’
‘Marieke is zwanger van de derde!’
‘Jeroen, wanneer komen jullie nou eens met nieuws?’
Mijn wangen gloeiden. Altijd die vragen over kinderen. Alsof het niet genoeg was dat ik mezelf al maanden afvroeg of ik überhaupt moeder wilde worden.
Na het eten trok Gerda me apart in de keuken. ‘Eva, mag ik je wat vragen?’ Haar stem klonk zachter dan normaal.
‘Natuurlijk,’ zei ik voorzichtig.
Ze keek me aan met haar scherpe blauwe ogen. ‘Ben je gelukkig met Jeroen? Je lijkt zo… afwezig de laatste tijd.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het is gewoon druk op werk,’ loog ik.
Gerda knikte langzaam. ‘Je weet dat je altijd bij ons terecht kunt, hè? Maar… het zou Jeroen zo goed doen als jullie ook eens aan kinderen zouden denken.’
Daar was het weer. Ik beet op mijn lip om niet uit te vallen.
‘We denken erover na,’ zei ik kortaf.
Die nacht lag ik wakker in het logeerbed, luisterend naar Jeroens rustige ademhaling naast me. Mijn gedachten maalden: Waarom voel ik me hier altijd zo klein? Waarom kan ik niet gewoon zeggen wat ik wil?
Zaterdagochtend was het ontbijt een logistiek hoogstandje met twaalf mensen aan tafel. Gerda deelde taken uit alsof ze een generaal was: ‘Eva, kun jij de eieren koken? Marieke, wil jij de jus persen?’ Niemand vroeg of je zin had; je deed gewoon mee.
Tijdens het ontbijt probeerde ik luchtig te doen tegen Marieke.
‘Hoe doe jij dat toch allemaal? Drie kinderen straks én werken?’ vroeg ik.
Ze lachte schamper. ‘Ach joh, je groeit erin mee. En mam helpt veel.’
Ik knikte, maar voelde me alleen maar leger worden.
Na het ontbijt trok ik mijn jas aan en liep naar buiten, zogenaamd om even frisse lucht te halen. In werkelijkheid moest ik gewoon weg uit het huis vol verwachtingen en meningen.
In de tuin stond Jan te roken.
‘Alles goed, Eva?’ vroeg hij vriendelijk.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Gaat wel.’
Hij knikte begrijpend. ‘Het is hier altijd druk hè? Maar weet je… soms moet je gewoon zeggen wat je wilt.’
Zijn woorden verrasten me. Ik keek hem aan en zag iets zachts in zijn blik wat ik bij Gerda nooit zag.
‘Dank je,’ fluisterde ik.
Toen ik terugkwam, stond Jeroen in de gang met zijn jas aan.
‘Wil je even wandelen?’ vroeg hij zacht.
We liepen samen door het park achter het huis. De lucht was grijs en zwaar van de regen die zou komen.
‘Het spijt me,’ zei hij ineens. ‘Ik zie hoe moeilijk je het hebt met mijn familie.’
Ik slikte. ‘Ik voel me soms zo… onzichtbaar.’
Hij pakte mijn hand vast. ‘Misschien moeten we vaker nee zeggen.’
‘Maar durf jij dat?’ vroeg ik scherp.
Hij zweeg even. ‘Nee… maar misschien moeten we het samen proberen.’
Die avond aan tafel barstte de bom alsnog.
Gerda vroeg weer naar kinderen en voor ik het wist, floepte het eruit:
‘Misschien willen we helemaal geen kinderen!’
De stilte was oorverdovend. Iedereen keek naar mij alsof ik net had gezegd dat ik de koningin wilde ontvoeren.
Gerda’s gezicht vertrok van schrik en teleurstelling. Marieke keek weg, Bas kuchte ongemakkelijk.
Jeroen legde zijn hand op mijn arm en zei zacht: ‘We willen gewoon zelf kiezen wat goed voor ons is.’
Het gesprek kwam langzaam weer op gang, maar de sfeer was anders – gespannen, broos.
Die nacht reden we eerder naar huis dan gepland. In de auto was het stil tot Jeroen zei:
‘Ik ben trots op je.’
Thuis kroop ik onder de dekens en voelde voor het eerst sinds maanden een beetje ruimte in mijn borstkas.
Maar toch bleef die vraag knagen: Kun je gelukkig zijn als anderen steeds voor jou beslissen? Of moet je soms alles op het spel zetten om jezelf terug te vinden?