Alles voor de kinderen van mijn zus: een leven vol offers en onverwachte wendingen

‘Je hebt geen recht op hen, Marleen!’ schreeuwt Diana terwijl ze haar jas op de grond gooit. Haar ogen schieten vuur, haar handen trillen. Ik sta verstijfd in de deuropening van mijn rijtjeshuis in Amersfoort, de plek waar ik al vijftien jaar probeer een thuis te bouwen voor haar kinderen. Mijn kinderen, zo voelt het inmiddels.

‘Diana, alsjeblieft, laten we rustig praten. Ze zijn geen bezit,’ fluister ik, maar mijn stem breekt. De kinderen — nou ja, kinderen — staan bovenaan de trap. Ruben, nu negentien, kijkt met gebalde vuisten naar beneden. Sophie en Joris houden elkaars hand vast. Ik voel hun angst, hun loyaliteit, hun verwarring.

Het begon allemaal vijftien jaar geleden. Diana was altijd het wilde kind, de rebel die nooit ergens bleef hangen. Toen ze zwanger raakte van Ruben, was ik net afgestudeerd aan de Universiteit Utrecht en werkte ik als docent Nederlands op een middelbare school. Diana woonde toen samen met Erik, een jongen uit onze buurt die meer tijd in de kroeg doorbracht dan thuis. Toen Sophie en Joris kort na elkaar kwamen, was Diana al lang alleenstaand. Ze had schulden, geen werk, en steeds vaker hoorde ik via-via dat de kinderen dagenlang alleen waren.

Op een koude novemberavond belde de buurvrouw me op. ‘Marleen, je moet komen. Diana is weg. De kinderen zijn alleen.’

Ik vond ze bibberend op de bank, Ruben met een arm om zijn zusje en broertje heen geslagen. Ze hadden honger, het huis stonk naar rook en schimmel. Ik belde Jeugdzorg en nam ze diezelfde nacht mee naar mijn appartement. Diana was spoorloos.

De eerste jaren waren zwaar. Ruben had nachtmerries en plaste in bed tot zijn tiende. Sophie sprak maandenlang geen woord. Joris huilde om alles. Mijn toenmalige vriend, Bas, hield het na een jaar niet meer vol. ‘Dit is niet het leven dat ik wilde,’ zei hij terwijl hij zijn spullen pakte. Ik liet hem gaan.

Mijn ouders? Die waren te oud en te moe om te helpen. Ze vonden het dapper van me, maar kwamen zelden langs. ‘Je bent altijd al de verantwoordelijke geweest,’ zei mijn moeder eens met een zucht.

Ik werkte halve dagen op school en vulde de rest met bijbaantjes: bijles geven, oppassen, schoonmaken bij oude buren. Alles om rond te komen. De kinderen groeiden op met tweedehands kleding en vakanties in eigen tuin. Maar we hadden elkaar.

Toen Diana na vijf jaar ineens weer opdook — mager, bleek, met wallen onder haar ogen — stond ik perplex. ‘Ik wil mijn kinderen terug,’ zei ze zonder blikken of blozen.

‘Ze zijn niet zomaar spullen die je kunt ophalen als het je uitkomt,’ beet ik haar toe.

Ze bleef een week logeren, probeerde contact te maken met Ruben en de anderen, maar ze wilden niets van haar weten. Diana vertrok weer even plotseling als ze gekomen was.

De jaren gingen voorbij. Ruben werd een slimme jongen die goed kon leren maar moeite had met vertrouwen. Sophie bloeide langzaam op; ze werd creatief en maakte prachtige tekeningen die nu nog aan mijn koelkast hangen. Joris was gevoelig en zorgzaam — altijd degene die mij een kopje thee bracht als hij zag dat ik moe was.

Toen Ruben achttien werd, kreeg hij een bijbaan bij de Albert Heijn en spaarde hij elke cent. Op een dag zaten ze alle drie aan tafel met enveloppen in hun handen.

‘We willen je bedanken,’ zei Ruben zachtjes.

‘Waarvoor?’ vroeg ik verbaasd.

‘Voor alles wat je hebt gedaan. Je hebt je leven opgeofferd voor ons. We willen je helpen met de hypotheek.’

Mijn hart brak en vulde zich tegelijk met trots en verdriet. ‘Jullie zijn mijn familie,’ zei ik snikkend. ‘Jullie hoeven mij niets te geven behalve jullie liefde.’

Maar het geld bleef op tafel liggen.

En toen kwam Diana terug — deze keer niet alleen, maar met een advocaat aan haar zijde.

‘Je hebt jarenlang kinderbijslag ontvangen die eigenlijk voor mij bedoeld was,’ zei ze kil tijdens het gesprek bij de mediator.

‘Ik heb alles aan hun besteed! Aan eten, kleding, school…’

‘Dat kan iedereen wel zeggen,’ sneerde haar advocaat.

De kinderen werden erbij gehaald. Ruben stond op en keek zijn moeder recht aan.

‘Waar was je toen Sophie ziek was? Toen Joris gepest werd? Toen Marleen haar baan verloor omdat ze voor ons moest zorgen?’

Diana keek weg.

‘We willen bij Marleen blijven,’ zei Sophie zachtjes.

Het werd een maandenlange strijd vol rechtszaken, gesprekken met instanties en slapeloze nachten. Mijn spaargeld verdween aan advocatenkosten. De kinderen werden onrustig; Joris kreeg weer nachtmerries.

Op een avond zat ik alleen aan tafel, starend naar een foto van ons vieren in de Efteling — onze enige echte vakantie ooit.

‘Waarom doe ik dit allemaal?’ vroeg ik mezelf hardop af.

De volgende dag kwam Ruben thuis met een envelop vol geld.

‘Mam…’ — ja, zo noemde hij me inmiddels — ‘we willen dat je dit aanneemt. Je hebt alles voor ons gedaan.’

Ik huilde tranen van dankbaarheid en verdriet tegelijk.

Uiteindelijk besloot de rechter dat de kinderen volwassen genoeg waren om zelf te kiezen waar ze wilden wonen en wie ze als familie zagen. Diana verloor haar zaak — maar niet haar woede.

Ze stond laatst weer voor de deur.

‘Je hebt mijn leven gestolen,’ siste ze.

Ik keek haar aan en voelde geen woede meer, alleen medelijden.

‘Misschien heb ik jouw leven niet gestolen,’ zei ik zachtjes, ‘maar heb ik geprobeerd drie levens te redden.’

Nu zit ik hier, vijftien jaar ouder, moe maar trots op wat ik heb gedaan — ondanks alles wat het me gekost heeft.

Soms vraag ik me af: Had ik anders moeten kiezen? Is liefde genoeg om oude wonden te helen? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?