De Brief van Mijn Moeder: Een Onmogelijke Keuze

‘Je denkt zeker dat je beter bent dan ik, hè?’ De woorden van mijn moeder galmen nog na in mijn hoofd terwijl ik de envelop openmaak. Mijn handen trillen. Het handschrift is onmiskenbaar het hare – hoekig, haastig, alsof ze elk woord met tegenzin op papier heeft gezet. Ik weet niet waarom ik de brief überhaupt openmaak. Misschien uit een soort plichtsgevoel, misschien uit nieuwsgierigheid. Of misschien omdat ik, ondanks alles, nog steeds hoop op iets zachts, iets wat lijkt op liefde.

‘Beste Marieke,’ begint ze. Geen ‘lieve’, geen warmte. ‘Ik zit in de problemen. Je weet dat ik altijd alles voor je heb gedaan. Nu is het tijd dat jij iets terugdoet. Ik verwacht dat je mij deze maand €500 overmaakt. Je weet mijn rekeningnummer.’

Ik voel mijn maag samenknijpen. Mijn ademhaling versnelt. Hoe durft ze? Hoe kan iemand die haar eigen kind jarenlang heeft genegeerd, vernederd, nu zoiets eisen? Mijn jeugd was een aaneenschakeling van kille blikken, harde woorden en deuren die dichtklapten. Mijn vader was al vroeg weg – ‘te zwak’, zei ze altijd – en ik was haar bliksemafleider. Als het leven haar tegenzat, moest ik het ontgelden.

‘Waarom ben je zo stil?’ vroeg ze vroeger vaak als ik thuiskwam van school. ‘Heb je weer iets stoms gedaan?’ Of: ‘Je lijkt steeds meer op je vader. Geen ruggengraat.’

Ik leerde al jong om mezelf onzichtbaar te maken. Ik deed mijn best op school, haalde goede cijfers, maar het was nooit genoeg. Op mijn zestiende ben ik bij haar weggegaan, naar een kamer in Utrecht. Ik werkte in de supermarkt om mijn huur te betalen en studeerde ’s avonds. Contact met haar verwaterde snel – of eigenlijk: ik liet het verwateren. Het was veiliger zo.

En nu deze brief.

Ik staar naar de woorden en voel de oude pijn weer opborrelen. Mijn vriend, Bas, komt binnen met twee mokken thee. ‘Gaat het?’ vraagt hij zacht.

Ik schuif de brief naar hem toe. Hij leest hem vluchtig door en schudt zijn hoofd. ‘Wat ga je doen?’

‘Ik weet het niet,’ fluister ik. ‘Ze heeft me nooit iets gegeven behalve schuldgevoel.’

Bas knikt begrijpend. ‘Je hoeft haar niks te geven als je dat niet wilt.’

Maar zo simpel voelt het niet. In Nederland wordt er vaak gezegd: bloed kruipt waar het niet gaan kan. Familie is familie, wat er ook gebeurt. Maar wat als familie je kapotmaakt? Wat als je moeder alleen contact zoekt als ze iets van je nodig heeft?

De dagen erna kan ik nergens anders aan denken. Op mijn werk bij de bibliotheek maak ik fouten; ik vergeet boeken in te voeren, geef verkeerde informatie aan bezoekers. Mijn collega Sanne merkt het op.

‘Is er iets?’ vraagt ze tijdens de lunchpauze.

Ik twijfel even, maar vertel haar dan over de brief.

Sanne zucht diep. ‘Mijn broer had zoiets met onze vader. Die man was er nooit voor ons, maar toen hij geld nodig had, wist hij ons ineens te vinden.’

‘Wat heeft hij gedaan?’

‘Niks gegeven,’ zegt Sanne beslist. ‘Soms moet je jezelf beschermen.’

’s Avonds bel ik mijn tante Els, de zus van mijn moeder. Zij is altijd vriendelijk geweest, een soort schaduwmoeder in mijn jeugd.

‘Ach meisje toch,’ zegt ze als ik haar alles vertel. ‘Je moeder… ze weet niet hoe ze liefde moet tonen. Maar dat betekent niet dat jij haar problemen moet oplossen.’

‘Maar wat als ze echt in de problemen zit?’ vraag ik zacht.

‘Dan moet ze hulp zoeken bij instanties, niet bij jou.’

Ik hang op met een mengeling van opluchting en schuldgevoel. De volgende dag ligt er weer een brief op de mat.

‘Marieke, waarom reageer je niet? Je laat me stikken, zoals altijd. Je bent egoïstisch en ondankbaar.’

De woorden snijden dieper dan ik wil toegeven. Ik voel me weer dat kleine meisje dat zich verstopt onder de dekens, hopend dat de storm overwaait.

Bas vindt me huilend op de bank.

‘Ze krijgt je weer te pakken,’ zegt hij zacht terwijl hij me vasthoudt.

‘Misschien ben ik echt ondankbaar,’ snik ik.

‘Nee,’ zegt Bas fel. ‘Jij hebt recht op je eigen leven.’

De dagen verstrijken en ik probeer me te concentreren op de dingen die me gelukkig maken: wandelen langs de Vecht, lezen in het park, koken met Bas. Maar telkens als de brievenbus kleppert, schrik ik op.

Op een avond besluit ik haar te bellen. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik haar nummer intoets.

Ze neemt op na drie keer overgaan.

‘Ja?’ Haar stem klinkt scherp.

‘Mam…’ begin ik aarzelend.

‘Dus je leeft nog,’ sneert ze.

‘Ik heb je brieven gekregen.’

‘En? Ga je me helpen of laat je me gewoon stikken?’

Ik slik. ‘Waarom vraag je mij om geld? Waarom nu pas contact?’

Ze zucht diep, alsof ze zich moet bedwingen om niet te schreeuwen.

‘Omdat jij alles hebt wat ik niet heb! Een huis, een vriend, een baan…’ Haar stem breekt even. ‘En ik heb niks.’

Voor het eerst hoor ik iets van kwetsbaarheid in haar stem, maar het maakt me alleen maar bozer.

‘Dat heb ik allemaal zelf opgebouwd,’ zeg ik zacht maar vastberaden. ‘Zonder jouw hulp.’

Er valt een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Dus je gaat me niet helpen?’ vraagt ze uiteindelijk kil.

‘Nee mam,’ zeg ik zachtjes. ‘Ik kan dit niet meer.’

Ze hangt op zonder iets te zeggen.

Die nacht slaap ik slecht. Ik droom dat ik weer kind ben, opgesloten in mijn oude slaapkamer terwijl buiten de regen tegen het raam tikt. Ik hoor haar stem door de deur: ‘Jij bent de reden dat alles misgaat!’

’s Ochtends voel ik me leeg maar ook opgelucht. Voor het eerst heb ik haar grenzen gesteld.

Een week later ontvang ik een kaartje van tante Els: ‘Je hebt het goed gedaan, meisje. Je mag trots zijn op jezelf.’

Ik huil als ik het lees – van opluchting, verdriet en misschien ook een beetje hoop.

Soms vraag ik me af: had ik anders moeten reageren? Ben ik nu echt vrij? Of blijft het verleden altijd aan me trekken?

Wat zouden jullie doen als jullie in mijn schoenen stonden? Is familieband echt onbreekbaar – of mag je soms kiezen voor jezelf?