Onder het Dak van Stilte: Het Verhaal van Marieke van Dijk
“Waarom heb je het nog steeds niet gedaan, Marieke? De kinderen komen elk moment thuis!”
De stem van mijn man, Jeroen, sneed als een mes door de stilte van onze woonkamer in Amsterdam-Oost. Ik stond met trillende handen boven de gootsteen, de schil van een appel half verwijderd. Mijn gedachten waren ver weg, bij het telefoontje dat ik die ochtend had gekregen. Mijn moeder, Ans, lag weer in het ziekenhuis. Dit keer was het ernstiger dan ooit.
“Jeroen, ik heb het druk gehad vandaag. Mam is weer opgenomen,” probeerde ik zachtjes.
Hij zuchtte diep, draaide zich om en keek me aan met die blik die ik inmiddels zo goed kende: ongeduld vermengd met teleurstelling. “Altijd weer jouw moeder. Het is hier ook crisis, Marieke. Je weet dat mijn presentatie morgen is en ik heb rust nodig.”
Op dat moment hoorde ik de voordeur dichtslaan. Onze dochter Lotte kwam binnen, haar jas half open, haar gezicht rood van de kou. “Mam, waar is mijn gymtas?” riep ze vanuit de gang.
“Boven op je kamer, schat!” riep ik terug, terwijl ik probeerde mijn tranen weg te slikken.
Jeroen liep naar zijn werkkamer zonder nog iets te zeggen. De deur viel dicht met een klap. Ik bleef achter in de keuken, alleen met mijn gedachten en de geur van appelschillen. Hoe was het zover gekomen? We waren ooit zo gelukkig geweest, Jeroen en ik. We hadden samen gestudeerd in Utrecht, nachtenlang gepraat over onze dromen: een huis vol kinderen, reizen naar verre landen, samen oud worden.
Maar nu voelde alles als een toneelstuk waarin we onze rollen speelden zonder overtuiging. Ik was de zorgzame moeder en dochter, hij de ambitieuze manager die steeds vaker overwerkte. De liefde was ergens onderweg zoekgeraakt tussen de boodschappenlijstjes en ouderavonden.
Die avond zat ik aan Lotte’s bed terwijl ze haar huiswerk maakte. “Mam, waarom maken jij en papa zo vaak ruzie?” vroeg ze plotseling zonder op te kijken.
Ik voelde mijn hart samenknijpen. “We zijn gewoon allebei een beetje moe, lieverd. Het komt wel goed.”
Maar zelfs terwijl ik het zei, wist ik dat het niet waar was.
De volgende ochtend werd ik wakker van het geluid van Jeroen die zijn stropdas vloekte omdat hij hem niet kon vinden. “Waar is die blauwe? Ik heb hem nodig voor mijn presentatie!”
“Misschien in de wasmand?” probeerde ik voorzichtig.
Hij keek me vernietigend aan. “Je weet toch hoe belangrijk dit voor me is? Kun je niet één keer gewoon opletten?”
Ik voelde me steeds kleiner worden. Alsof ik langzaam verdween in ons eigen huis.
Na zijn vertrek bleef ik nog lang aan de keukentafel zitten. Mijn telefoon trilde: een appje van mijn broer Bas. ‘Mam vraagt naar je. Ze is bang.’
Ik pakte mijn jas en vertrok naar het ziekenhuis in Amstelveen. Onderweg dacht ik aan vroeger, aan hoe mijn moeder altijd alles voor ons regelde. Nu was zij degene die hulp nodig had en voelde ik me verscheurd tussen haar en mijn eigen gezin.
In het ziekenhuis rook het naar desinfectiemiddel en oude koffie. Mijn moeder lag bleek in bed, haar ogen waterig maar helder toen ze me zag.
“Dag meisje,” fluisterde ze. “Je ziet er moe uit.”
Ik lachte flauwtjes en pakte haar hand. “Het gaat wel, mam.”
Ze kneep zachtjes in mijn vingers. “Laat Jeroen je niet kapot maken.”
Die woorden bleven hangen terwijl ik terug naar huis fietste door de regen. Was dat wat er gebeurde? Liet ik mezelf kapot maken?
Thuis vond ik Jeroen op de bank met zijn laptop op schoot. “Hoe was het bij je moeder?” vroeg hij zonder op te kijken.
“Ze is zwak. Ze vraagt naar mij.”
Hij knikte afwezig. “Kun je Lotte ophalen van hockey straks? Ik heb een call.”
Ik knikte en liep naar boven om even alleen te zijn. In onze slaapkamer rook het naar zijn aftershave en iets onbestemds – misschien de geur van gemiste kansen.
’s Avonds zaten we met z’n drieën aan tafel. Lotte prikte in haar aardappels, Jeroen scrolde op zijn telefoon en ik probeerde een gesprek op gang te brengen.
“Hoe was hockey?” vroeg ik.
Lotte haalde haar schouders op. “Ging wel.”
Jeroen keek niet op.
Na het eten ruimde ik alleen af. In de afwas zag ik mijn spiegelbeeld: vermoeide ogen, lijnen rond mijn mond die er vorig jaar nog niet zaten.
Later die week kwam Bas langs. Hij bracht bloemen voor mam en bleef even hangen in onze keuken.
“Hoe gaat het echt met je?” vroeg hij terwijl hij koffie inschonk.
Ik haalde mijn schouders op. “Weet ik niet meer.”
Bas keek me doordringend aan. “Je hoeft dit niet allemaal alleen te dragen, Mariek.”
Zijn woorden raakten me meer dan ik wilde toegeven.
Die nacht kon ik niet slapen. Jeroen lag naast me te snurken terwijl ik naar het plafond staarde en dacht aan alles wat ik ooit wilde zijn – en wat er van over was.
De volgende ochtend barstte de bom.
Jeroen kwam thuis met een geur die niet van mij was – parfum, zoet en zwaar. Hij probeerde het te verbergen maar ik rook het meteen.
“Wie is ze?” vroeg ik zonder omwegen.
Hij keek me aan, even geschrokken, toen haalde hij zijn schouders op alsof het allemaal niets betekende.
“Ik weet niet waar je het over hebt.”
Maar zijn ogen verraadden hem.
Die avond sliep hij op de bank. Lotte merkte dat er iets mis was maar zei niets; ze kroop stilletjes tegen mij aan in bed.
De dagen daarna leefden we langs elkaar heen als vreemden in hetzelfde huis. Ik probeerde sterk te blijven voor Lotte, voor mam – maar vooral voor mezelf.
Op een avond zat ik alleen in de keuken toen Bas belde.
“Kom bij ons logeren,” zei hij zachtjes. “Je hoeft dit niet te pikken.”
Ik keek om me heen naar het huis dat ooit voelde als thuis maar nu als een gevangenis.
Die nacht pakte ik een tas voor mij en Lotte. We vertrokken zonder iets te zeggen tegen Jeroen; hij merkte het pas toen hij wakker werd in een leeg huis.
Bij Bas voelde alles anders – lichter, veiliger misschien zelfs hoopvol.
De weken daarna waren zwaar maar bevrijdend. Ik vond langzaam mezelf terug tussen de chaos van emoties en praktische zorgen om mam en Lotte.
Jeroen probeerde contact te zoeken maar ik hield afstand. Voor het eerst in jaren voelde ik ruimte om adem te halen.
Op een dag zat ik met Lotte op een bankje in het Vondelpark terwijl ze haar ijsje at.
“Mam?” vroeg ze voorzichtig. “Ben je nu gelukkig?”
Ik dacht na voordat ik antwoordde.
“Ik weet het niet zeker,” zei ik eerlijk. “Maar ik voel me vrijer dan ooit.”
Soms vraag ik me af: hoeveel kun je verliezen voordat je eindelijk jezelf vindt? En hoeveel moed kost het om opnieuw te beginnen?