Mijn naam is Marieke: De dag dat alles veranderde in het huis aan de Amstel
‘Marieke, waar is Anne?’ De stem van mevrouw Van Dijk trilde, haar ogen priemden in de mijne. Ik voelde mijn hart bonzen in mijn borstkas. Het was half negen ’s avonds, de regen tikte onophoudelijk tegen de ramen van het kindertehuis aan de Amstel. Mijn zusje Anne was niet op haar kamer. Niemand wist waar ze was.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik, maar zelfs voor mijzelf klonk het ongeloofwaardig. Want ik had haar gezien, nog geen uur geleden, in de gang bij de achterdeur. Ze had haar jas aan, haar rugtas om, en haar ogen stonden vastberaden. ‘Ik moet hier weg, Marieke,’ had ze gezegd. ‘Ze luisteren niet. Niemand gelooft me.’
‘Waar ga je heen?’ vroeg ik toen, mijn stem schor van angst. Anne keek me aan, haar gezicht bleek in het schamele licht van de gang. ‘Naar mama,’ fluisterde ze. ‘Ze leeft nog.’
Die woorden bleven in mijn hoofd echoën terwijl ik nu tegenover mevrouw Van Dijk stond. De andere kinderen verzamelden zich in de hal, hun gezichten gespannen. Buiten loeide een politieauto voorbij. Ik voelde me schuldig, maar ook boos. Waarom had niemand naar Anne geluisterd? Waarom geloofde niemand dat onze moeder misschien nog leefde?
‘Marieke, als je iets weet, moet je het zeggen,’ zei mevrouw Van Dijk streng. ‘Dit is ernstig.’
Ik knikte zwijgend en liep langzaam terug naar mijn kamer. Mijn handen trilden terwijl ik mijn telefoon pakte. Een onbekend nummer had me net een bericht gestuurd: ‘Kom naar het oude station om middernacht. Alleen jij.’
Mijn hoofd tolde. Was dit Anne? Of iemand anders? Ik dacht aan de verhalen die rondgingen in het tehuis: over bendes die kinderen ronselden, over verdwenen meisjes die nooit meer terugkwamen. Maar Anne was slim, dapperder dan ik ooit zou zijn.
Ik besloot te gaan. Ik trok mijn jas aan en sloop langs de piepende trap naar beneden. Buiten rook het naar nat asfalt en herfstbladeren. Ik rende door de regen, mijn schoenen sopten bij elke stap.
Het oude station lag verlaten aan de rand van de stad. De lantaarns flikkerden, ergens kraaide een kraai. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik een schim zag bij het perron.
‘Anne?’ fluisterde ik.
De schim draaide zich om. Het was niet Anne, maar een jongen van een jaar of zestien, met een leren jas en warrig blond haar.
‘Jij bent Marieke?’ vroeg hij zacht.
Ik knikte.
‘Anne is veilig,’ zei hij snel. ‘Maar ze heeft jouw hulp nodig.’
‘Wie ben jij?’ vroeg ik achterdochtig.
‘Ik heet Bram,’ antwoordde hij. ‘Anne heeft iets ontdekt… iets wat niet bedoeld was om te vinden.’
Mijn adem stokte. ‘Waar is ze?’
Bram keek om zich heen en wenkte me hem te volgen naar een oude goederenwagon. Daar zat Anne, haar gezicht nat van de regen en tranen.
‘Marieke!’ riep ze en vloog me om de hals.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik zachtjes terwijl ik haar vasthield.
Anne keek me aan met grote ogen. ‘Ze hebben tegen ons gelogen,’ fluisterde ze. ‘Mama leeft nog, maar ze wordt vastgehouden door iemand die we kennen…’
Mijn maag draaide zich om. ‘Wie?’
Ze aarzelde even en keek Bram aan voor steun. ‘Mevrouw Van Dijk,’ zei ze toen bijna onhoorbaar.
Ik kon het niet geloven. Mevrouw Van Dijk was streng, maar ze had altijd voor ons gezorgd sinds papa en mama verdwenen waren na dat ongeluk op de A2. Maar Anne hield vol: ‘Ik heb brieven gevonden in haar kantoor… brieven van mama, geschreven na het ongeluk.’
Bram knikte bevestigend. ‘We hebben bewijs nodig voordat we naar de politie kunnen gaan,’ zei hij zacht.
We besloten samen terug te sluipen naar het tehuis om de brieven te zoeken. Mijn hart bonsde in mijn keel toen we door het donkere gebouw liepen. In het kantoor van mevrouw Van Dijk vond Anne snel een stapel papieren onder een losse plank in de vloer.
‘Hier!’ fluisterde ze triomfantelijk.
We lazen samen de brieven. Mama schreef over haar herstel in een onbekende kliniek, over hoe ze ons miste en hoopte dat we ooit weer samen zouden zijn. Maar elke brief eindigde met dezelfde zin: ‘Vertrouw Van Dijk niet.’
Plotseling ging het licht aan. Mevrouw Van Dijk stond in de deuropening, haar gezicht wit van woede.
‘Wat doen jullie hier?’ siste ze.
Bram sprong tussen ons in. ‘We weten alles!’ riep hij dapper.
Er volgde een chaotisch moment waarin Van Dijk probeerde ons te grijpen, maar Bram duwde haar opzij en we renden weg – met de brieven stevig in mijn hand geklemd.
Buiten belden we de politie met een anonieme tip en wachtten bibberend in een bushokje tot er sirenes klonken in de verte.
De dagen daarna waren een waas van verhoren, spanning en hoop. Uiteindelijk werd duidelijk dat mevrouw Van Dijk jarenlang brieven had onderschept en onze moeder bewust verborgen hield – uit jaloezie, omdat zij zelf nooit kinderen kon krijgen.
Toen ik mama eindelijk weer zag – bleek en breekbaar maar levend – voelde ik alles tegelijk: woede, verdriet, opluchting en liefde.
Het leven is sindsdien nooit meer hetzelfde geweest. Anne en ik wonen nu bij mama in een klein huisje aan het IJsselmeer. Soms droom ik nog van die nacht vol regen en angst, maar dan hoor ik Anne lachen in de keuken en weet ik dat we samen alles aankunnen.
Waarom geloven volwassenen zo vaak dat kinderen niets doorhebben? En hoeveel geheimen liggen er nog verborgen achter gesloten deuren? Misschien herken jij jezelf wel in mijn verhaal – wat zou jij doen als niemand je gelooft?