De stem die niemand hoort: het verhaal van mijn oma Marta
‘Waarom luisteren jullie niet naar mij?’ Mijn stem trilt terwijl ik aan de keukentafel zit, mijn handen om een kop lauwe thee geklemd. Mijn moeder zucht diep en kijkt mijn vader aan, alsof ze wil dat hij het woord neemt. ‘Julia, we hebben het hier al zo vaak over gehad,’ zegt hij uiteindelijk, zijn stem vlak. ‘Oma Marta redt zich wel. Ze is altijd sterk geweest.’
Maar ik weet beter. Sinds opa Jan drie jaar geleden overleed, is er iets in haar gebroken. Ze woont nog steeds alleen in dat oude huis aan de rand van Amersfoort, waar de muren steeds grijzer lijken te worden en de stilte als een dikke deken over alles heen ligt. Elke keer als ik haar bezoek, zie ik hoe haar schouders meer gebogen zijn, haar ogen doffer. Maar als ik erover begin, wuiven mijn ouders het weg.
‘Ze wil geen hulp,’ zegt mama dan. ‘Ze is koppig. Dat weet je toch.’
Maar ik weet ook dat ze ’s nachts wakker ligt, dat ze soms vergeet te eten, dat haar handen trillen als ze de suiker in haar koffie doet. Ik ben de enige die het ziet, of misschien de enige die het wil zien.
‘Waarom ga je niet gewoon wat vaker langs als je je zo’n zorgen maakt?’ vraagt mijn broer Daan op een avond, terwijl hij zijn jas aantrekt om naar zijn werk te gaan. ‘Je hebt toch vakantie nu?’
‘Omdat het niet genoeg is!’ roep ik uit. ‘Ze heeft meer nodig dan een uurtje bezoek per week. Ze heeft mensen nodig die haar echt zien.’
Daan haalt zijn schouders op. ‘Je kunt mensen niet dwingen om geholpen te worden.’
Misschien heeft hij gelijk. Maar elke keer als ik oma Marta zie zitten in haar versleten fauteuil, met haar handen gevouwen in haar schoot en haar blik op het vergeelde behang gericht, voel ik een steek van schuld. Alsof ik haar in de steek laat, net als iedereen.
Op een regenachtige woensdag besluit ik onverwacht langs te gaan. Ik neem een bos tulpen mee, haar lievelingsbloemen. Als ik aanbeld, duurt het lang voordat ze opendoet. Haar gezicht licht even op als ze me ziet, maar daarna trekt er weer een schaduw overheen.
‘Wat doe jij hier op een doordeweekse dag?’ vraagt ze terwijl ze me binnenlaat.
‘Ik wilde je verrassen,’ zeg ik zacht. ‘En kijken hoe het met je gaat.’
Ze glimlacht flauwtjes en zet thee. We praten over koetjes en kalfjes – het weer, de buurvrouw die haar heg weer veel te kort heeft geknipt, de nieuwe supermarkt aan de overkant. Maar als ik voorzichtig vraag of ze zich soms eenzaam voelt, verstijft ze.
‘Ik ben oud, Julia,’ zegt ze dan. ‘Oude mensen zijn nu eenmaal alleen.’
‘Dat hoeft toch niet?’ probeer ik.
Ze kijkt me aan met die heldere blauwe ogen die zoveel hebben gezien. ‘Soms is het makkelijker om alleen te zijn dan om steeds weer afscheid te moeten nemen.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. De stilte tussen ons voelt zwaar en vol dingen die we allebei niet durven uitspreken.
Die avond probeer ik opnieuw met mijn ouders te praten. ‘Ze heeft hulp nodig,’ zeg ik. ‘Misschien kunnen we iemand regelen die af en toe langskomt? Of haar uitnodigen om vaker bij ons te eten?’
Mijn moeder schudt haar hoofd. ‘Ze wil niet afhankelijk zijn. Dat heeft ze altijd gezegd.’
‘Maar wat als ze valt? Of ziek wordt? Gaan we dan pas iets doen?’ Mijn stem slaat over van frustratie.
Mijn vader kijkt me strak aan. ‘Julia, je moet leren accepteren dat sommige mensen hun eigen keuzes maken. Ook als jij het daar moeilijk mee hebt.’
Ik loop boos naar boven en sla de deur achter me dicht. Waarom ziet niemand wat ik zie? Waarom voel ik me zo alleen in deze strijd?
De weken gaan voorbij en oma Marta wordt stiller. Ze vergeet steeds vaker dingen – verjaardagen, afspraken bij de huisarts, zelfs haar eigen medicijnen. Op een dag krijg ik een telefoontje van de buurvrouw: oma is gevallen in de tuin en kan niet meer opstaan.
Ik ren erheen, mijn hart bonzend in mijn borstkas. Als ik aankom, ligt ze op het natte gras, haar gezicht vertrokken van pijn.
‘Waarom heb je niemand gebeld?’ vraag ik snikkend terwijl de ambulancebroeders haar voorzichtig optillen.
Ze kijkt me aan met tranen in haar ogen. ‘Ik wilde je niet lastigvallen.’
Die woorden blijven dagenlang door mijn hoofd spoken. In het ziekenhuis blijkt dat ze haar heup heeft gebroken. De arts zegt dat ze lang moet revalideren en misschien nooit meer helemaal zelfstandig zal zijn.
Mijn ouders komen eindelijk in actie – regelen thuiszorg, praten met maatschappelijk werkers, maken plannen voor aanpassingen in huis. Maar het voelt als mosterd na de maaltijd.
Oma Marta wordt stiller dan ooit. Tijdens een bezoek zit ze voor zich uit te staren, haar handen rusteloos friemelend aan de rand van haar deken.
‘Ben je boos op ons?’ vraag ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd. ‘Nee kind, maar soms vraag ik me af waarom ouder worden zo’n eenzaam proces moet zijn.’
Ik slik mijn tranen weg en pak haar hand vast.
Na maanden revalideren mag ze eindelijk naar huis, maar niets is meer zoals vroeger. Ze vertrouwt niemand meer echt – niet de thuiszorgmedewerkers die haastig binnenkomen en weer vertrekken, niet mijn ouders die nu ineens alles willen regelen, zelfs mij niet helemaal.
Op een avond zit ik naast haar op de bank en kijk naar de foto’s op de schoorsteenmantel: opa Jan lachend in zijn moestuin, oma Marta jong en stralend op hun trouwdag, mijn moeder als kind met vlechten.
‘Denk je dat mensen ooit echt luisteren naar elkaar?’ vraag ik zacht.
Oma Marta glimlacht droevig. ‘Misschien als ze leren kijken met hun hart in plaats van hun ogen.’
Soms vraag ik me af of we allemaal niet een beetje schuldig zijn – aan onverschilligheid, aan angst om onszelf kwetsbaar op te stellen, aan het gemak waarmee we denken dat iemand anders het wel oplost.
Nu zit ik hier en schrijf dit verhaal omdat ik hoop dat iemand het leest en denkt: misschien moet ik vandaag wél even bellen of langsgaan bij die ene persoon die altijd zegt dat alles goed gaat.
Want wie luistert er eigenlijk echt? En hoeveel stemmen laten we dagelijks ongehoord?