De Zevende Geboorte: Mijn Vlucht uit het Gezin

‘Je moet niet zo dramatisch doen, Eva. Het is heus niet het einde van de wereld.’

De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de voordeur achter me dichttrek. De geur van haar goedkope parfum blijft in de gang hangen, vermengd met de muffe lucht van natte jassen en kinderschoenen. Ik hoor het zachte gehuil van mijn broertje Daan boven, en het gestommel van kleine voeten op de trap. Mijn moeder staat in de keuken, haar buik al zichtbaar rond, terwijl ze met één hand een pan roert en met de andere haar telefoon vasthoudt.

‘Eva, kun je even komen? De aardappels moeten geschild en ik moet zo bellen met de verloskundige.’

Ik slik. Mijn handen doen pijn van het schillen, mijn hoofd bonkt van vermoeidheid. Ik ben zestien, maar voel me soms zestig. Sinds papa drie jaar geleden vertrok naar zijn nieuwe vriendin in Amersfoort, ben ik de tweede volwassene in huis. Of eigenlijk: de eerste. Mijn moeder is er wel, maar altijd half – half in haar eigen wereld, half in een nieuwe relatie, half zwanger.

‘Mam, ik moet leren voor mijn toets morgen,’ probeer ik voorzichtig.

Ze kijkt me aan met die blik die ik zo goed ken – een mengeling van teleurstelling en vermoeidheid. ‘Je weet dat we allemaal ons steentje moeten bijdragen, Eva. Je bent de oudste. Je weet hoe het werkt.’

Ik weet hoe het werkt. Ik weet hoe je zes kinderen in een oude Opel Zafira propt zonder dat er eentje achterblijft bij de Lidl. Ik weet hoe je lasagne maakt voor acht mensen met een budget van twintig euro per week. Ik weet hoe je ruzies sust over wie er op de PlayStation mag en hoe je Daan’s koortsige voorhoofd koelt terwijl je ondertussen huiswerk maakt.

Maar wat ik niet weet, is hoe ik dit nog langer volhoud.

Die avond lig ik wakker in mijn kleine kamer, het raam op een kier zodat ik de regen hoor tikken op het dak. Mijn zusje Noor ligt te snurken in het bed naast me. Ik staar naar het plafond en voel een brok in mijn keel. Waarom moet ík altijd alles oplossen? Waarom kan mama niet gewoon… volwassen zijn?

De volgende ochtend is het huis een chaos. Daan heeft overgegeven op zijn pyjama, Noor kan haar gymtas niet vinden en mama staat te huilen aan de keukentafel omdat haar vriend haar heeft laten zitten. Ik voel iets knappen in mij.

‘Ik kan dit niet meer,’ fluister ik tegen mezelf.

Na school loop ik niet naar huis. Ik loop door naar het station, mijn hart bonkt in mijn borstkas. Mijn beste vriendin Sanne woont met haar moeder in een flat aan de rand van Utrecht. Ze weet alles van mij – of nou ja, bijna alles. Ik bel aan en als ze open doet, breek ik.

‘Mag ik hier blijven slapen?’ vraag ik met trillende stem.

Sanne knikt zonder iets te zeggen en trekt me naar binnen. Haar moeder kijkt verbaasd maar zegt niets als ze me ziet huilen aan de keukentafel.

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Sanne zacht.

‘Ze is weer zwanger,’ snik ik. ‘Voor de zevende keer. En ze verwacht dat ík alles blijf doen.’

Sanne slaat een arm om me heen. ‘Je hoeft niet terug als je dat niet wilt.’

Maar zo simpel is het niet. De volgende ochtend staan er al drie gemiste oproepen op mijn telefoon – allemaal van mama.

‘Eva, waar ben je? Je kunt niet zomaar wegblijven! Je broertjes en zusjes hebben je nodig!’

Ik voel me schuldig, maar ook opgelucht. Voor het eerst in jaren hoef ik niet te zorgen voor anderen. Sanne’s moeder maakt tosti’s voor ons ontbijt en vraagt of ik wil blijven eten. Ik knik dankbaar.

Die avond lig ik op een matras op Sanne’s kamer en staar naar het plafond.

‘Wat ga je nu doen?’ fluistert Sanne in het donker.

‘Ik weet het niet,’ zeg ik eerlijk. ‘Misschien blijf ik hier wel voor altijd.’

Maar dat kan natuurlijk niet. De volgende dag belt mama weer, deze keer huilend.

‘Eva, alsjeblieft… Ik kan dit niet zonder jou.’

En daar is het weer: dat loodzware schuldgevoel dat als een natte jas om mijn schouders hangt.

Na drie dagen belt ook mijn vader.

‘Eva, je moeder maakt zich zorgen. Je moet terugkomen.’

‘Waarom jij niet?’ bijt ik hem toe.

Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.

‘Ik… Ik heb nu ook een nieuw gezin om voor te zorgen,’ zegt hij uiteindelijk zacht.

Ik hang op zonder iets te zeggen.

De dagen bij Sanne zijn als een droom – of misschien eerder als een sluimerend schuldgevoel dat steeds harder begint te knagen. Haar moeder is lief, maar kijkt me soms aan alsof ze zich afvraagt wanneer ik weer wegga. Sanne probeert me op te vrolijken met films en ijsjes, maar ik voel me leeg.

Op dag vijf besluit ik terug te gaan. Niet omdat ik wil, maar omdat het moet.

Als ik thuiskom, zit mama aan tafel met rode ogen en een lege wijnfles naast zich. De kinderen springen op als ze me zien en Noor vliegt om mijn nek.

‘Waar was je? We dachten dat je nooit meer terugkwam!’

Mama zegt niets, maar haar blik spreekt boekdelen: opluchting vermengd met woede en schaamte.

Die avond zitten we samen aan tafel. Mama pakt mijn hand vast.

‘Het spijt me, Eva,’ fluistert ze. ‘Ik weet dat ik te veel van je vraag.’

Ik knik, maar zeg niets. Wat moet ik zeggen? Dat ik haar haat? Dat ik haar zielig vind? Dat ik haar wil schudden tot ze eindelijk volwassen wordt?

De weken daarna verandert er weinig. Mama probeert meer haar best te doen – ze vraagt af en toe aan buurvrouw Ingrid om op te passen, maar meestal komt het toch weer op mij neer. De baby groeit in haar buik en met elke dag voel ik de druk toenemen.

Op een avond barst er ruzie los tijdens het eten.

‘Waarom moet ík altijd alles doen?’ schreeuw ik ineens uit het niets.

Mama kijkt geschrokken op. ‘Omdat jij de oudste bent! Omdat jij… omdat jij sterk bent!’

‘Misschien wil ik helemaal niet sterk zijn!’ gil ik terug.

De kinderen kijken stilletjes toe terwijl mama en ik elkaar verwijten naar het hoofd slingeren – over papa die weg is, over geld dat er nooit is, over dromen die allang zijn vervlogen.

Na afloop zit ik huilend op mijn kamer terwijl Noor zachtjes naast me komt zitten.

‘Ga je weer weg?’ vraagt ze bang.

Ik schud mijn hoofd en trek haar dicht tegen me aan.

‘Nee,’ fluister ik. ‘Niet nu.’

Maar diep vanbinnen weet ik dat dit niet voor altijd zo kan blijven duren.

Op school gaat het slechter – mijn cijfers zakken weg, leraren vragen of alles wel goed gaat thuis. Sanne probeert me te helpen met leren, maar mijn hoofd zit vol zorgen over boodschappenlijstjes en slapeloze nachten met huilende baby’s.

Op een dag na school word ik aangesproken door meneer Jansen, onze mentor.

‘Eva, mag ik even met je praten?’

We zitten samen in een leeg lokaal terwijl hij me aankijkt met die serieuze blik die leraren hebben als ze iets moeilijks willen zeggen.

‘Ik maak me zorgen om je,’ zegt hij zacht. ‘Je bent zo’n slimme meid, maar je lijkt zo moe…’

Ik barst in tranen uit en vertel alles – over mama’s zwangerschap, over papa die weg is, over hoe ik soms gewoon wil verdwijnen.

Meneer Jansen luistert geduldig en zegt dan: ‘Je hoeft dit niet alleen te doen, Eva. Er zijn mensen die kunnen helpen.’

Samen bellen we naar Jeugdzorg – iets wat ik nooit had durven doen zonder hem. Diezelfde week komt er iemand langs thuis om te praten met mama en mij samen.

Het gesprek is pijnlijk en confronterend – mama huilt, ik huil, zelfs de vrouw van Jeugdzorg pinkt een traantje weg als ze hoort hoe lang ik al voor iedereen zorg behalve mezelf.

Langzaam verandert er iets thuis. Mama krijgt hulp bij het huishouden en er komt een oppas voor de jongste kinderen na schooltijd. Voor het eerst sinds jaren heb ik tijd voor mezelf – om huiswerk te maken, om met Sanne naar de film te gaan, om gewoon even niks te hoeven zijn behalve zestien jaar oud.

Toch blijft het schuldgevoel knagen – alsof ik mama in de steek laat door eindelijk aan mezelf te denken.

Soms vraag ik me af: had ik eerder moeten weglopen? Of juist nooit? Is het egoïstisch om jezelf op de eerste plaats te zetten als niemand anders dat doet?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf en je familie? Is er ooit echt een goede keuze?