De Laatste Fietsrit van Mijn Leven: Een Vader, Een Zoon, en Een Onvervulde Droom
‘Waarom moet jij altijd alles op jouw manier doen, pap?’ Daan kijkt me aan met die grote, bruine ogen die altijd net iets te veel weten voor zijn twaalf jaar. Zijn stem trilt, maar hij probeert stoer te blijven. Ik slik. De geur van ziekenhuis ontsmettingsmiddel hangt in de lucht, vermengd met de geur van zijn favoriete dropjes. ‘Omdat ik niet weet wat anders te doen, jongen,’ fluister ik. ‘Omdat ik niet weet hoe ik je moet loslaten.’
Het is de avond voordat alles verandert. Daan ligt in zijn ziekenhuisbed in Utrecht, zijn benen onder een dekentje met voetbalpatroon. De artsen hebben net verteld dat er niets meer te doen is. Mijn vrouw, Marieke, zit aan het voeteneind en draait haar trouwring rond haar vinger. We praten niet meer over hoop. We praten over herinneringen, over wat had kunnen zijn.
‘Pap,’ zegt Daan ineens zacht, ‘als ik er straks niet meer ben… wil je dan voor mij fietsen? Van Maastricht naar de Waddenzee? Zoals we altijd zeiden?’
Ik knik, tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik beloof het je.’
Die belofte wordt mijn anker als Daan een week later in mijn armen sterft. Marieke schreeuwt het uit, haar stem rauw van verdriet. Mijn dochtertje Lotte klampt zich aan me vast. Maar ik voel niets. Alleen leegte.
De weken daarna zijn een waas van condoleances, bloemen en stilte. Marieke en ik raken elkaar kwijt in ons verdriet. Zij wil praten, herinneringen ophalen. Ik wil alleen zijn, verdwalen in oude foto’s en Daans lievelingsshirt dat nog naar hem ruikt.
Op een avond barst de bom.
‘Je bent er nooit!’ schreeuwt Marieke terwijl ze de vaatwasser dichtsmijt. ‘Je vlucht! Je vlucht altijd!’
‘En jij dan?’ gil ik terug. ‘Alsof jij het allemaal zo goed weet! Jij praat alleen maar over hem alsof hij nog leeft!’
Lotte huilt zachtjes in de woonkamer. Ik voel me schuldig, maar weet niet hoe ik het goed moet maken.
De volgende ochtend pak ik Daans oude racefiets uit de schuur. Zijn helm hangt nog aan het stuur, vol stickers van Ajax en Feyenoord – hij kon nooit kiezen tussen die twee. Ik poets het frame, repareer een lekke band en voel voor het eerst in weken iets van richting.
‘Wat ga je doen?’ vraagt Lotte voorzichtig als ze me ziet.
‘Ik ga fietsen,’ zeg ik. ‘Voor Daan.’
Marieke kijkt me aan met rode ogen. ‘En voor jezelf?’
Ik knik. ‘Misschien.’
De eerste kilometers vanuit Maastricht zijn zwaar. Mijn benen protesteren, mijn hart nog meer. Overal zie ik vaders met zoons: op terrasjes in Valkenburg, bij een ijskraam in Roermond. Ik hoor Daans stem in mijn hoofd: ‘Pap, je trapt als een oud wijf!’ Ik lach door mijn tranen heen.
’s Nachts slaap ik in kleine B&B’s of bij vrienden die ik jaren niet heb gezien. In Nijmegen logeer ik bij mijn broer Bas, die me altijd heeft verweten dat ik te weinig tijd voor familie had.
‘Je was er nooit toen papa ziek was,’ zegt Bas terwijl we samen aan de keukentafel zitten.
‘Ik weet het,’ zeg ik zacht. ‘Ik wist niet hoe.’
Hij knikt en legt zijn hand op mijn schouder. ‘Misschien is dit jouw manier.’
In Zwolle regent het pijpenstelen. Mijn ketting vliegt eraf en ik sta vloekend langs de kant van de weg. Een oudere man stopt naast me.
‘Alles goed?’ vraagt hij.
‘Mijn zoon…’ begin ik, maar mijn stem breekt.
Hij knikt begrijpend, zonder verder te vragen. Samen krijgen we de ketting weer op de tandwielen.
Elke dag schrijf ik een brief aan Daan in mijn notitieboekje. Over hoe mooi de hei bij Apeldoorn is, hoe hard de wind waait op de Afsluitdijk, hoe ik hem mis bij elke bocht.
Onderweg krijg ik berichten van Marieke en Lotte. Soms boos (‘Je laat ons weer alleen’), soms verdrietig (‘Ik mis je’), soms hoopvol (‘Kom je terug?’). Ik weet niet wat ik moet antwoorden.
In Leeuwarden wacht Lotte me op met Marieke. Ze hebben bloemen meegenomen en Daans favoriete snoepjes.
‘Mag ik mee naar de Waddenzee?’ vraagt Lotte.
Samen fietsen we het laatste stuk naar Harlingen. De lucht is grijs, de zee ruig. Op de pier staan we stil en gooien we Daans Ajax-Feyenoord sjaal in het water.
Marieke huilt zachtjes. Ik sla mijn arm om haar heen.
‘Denk je dat hij trots op ons zou zijn?’ fluistert ze.
Ik kijk naar het water dat de sjaal meesleurt richting open zee.
‘Ik hoop het,’ zeg ik. ‘Ik hoop het zo.’
’s Avonds zitten we samen in een klein hotelletje aan de dijk. Lotte slaapt tussen ons in. Marieke pakt mijn hand vast.
‘Misschien moeten we leren samen te rouwen,’ zegt ze zacht.
Ik knik en kijk naar buiten, waar de zee langzaam donker wordt.
Was dit wat Daan bedoelde? Dat we samen verder moesten? Of was deze tocht vooral voor mijzelf?
Zou jij kunnen loslaten wat je het meest liefhebt – als je weet dat je daarmee een belofte nakomt?