‘Waarom mag ik niet meer thuis zijn?’ – Het verhaal van mijn oma en de strijd om waardigheid

‘Ze kan hier niet blijven, Marijke. Het is gewoon te veel geworden.’

De stem van mijn vader sneed door de stilte van de gang. Ik stond met mijn rug tegen de muur, mijn handen trilden. Mijn moeder zuchtte diep. ‘Maar ze is mijn moeder, Kees. Ze heeft altijd voor ons gezorgd. Hoe kan ik haar nu wegdoen?’

Ik voelde een brok in mijn keel. Oma Gerda was beneden in de woonkamer, haar handen gevouwen in haar schoot, starend naar de klok die tikt als een dreigend oordeel. Ze was altijd mijn veilige haven geweest. Als kind kroop ik bij haar op schoot, luisterde naar haar verhalen over vroeger: hoe ze als jong meisje door de regen fietste naar de fabriek in Zaandam, hoe ze opa ontmoette op de kermis in Purmerend. Haar stem was altijd warm, haar handen zacht.

Maar nu was alles anders. Sinds opa vorig jaar overleed, was oma veranderd. Ze vergat steeds vaker dingen: de waterkoker aanzetten zonder water, de deur open laten staan, soms zelfs mijn naam. Maar als ik haar aankeek, zag ik nog steeds dezelfde liefde in haar ogen.

‘Ze hoort bij ons,’ fluisterde ik tegen mezelf. Maar mijn ouders zagen vooral de zorgen: de slapeloze nachten als oma weer door het huis dwaalde, het schuldgevoel als ze haar alleen moesten laten tijdens hun werk.

Die avond zat ik naast oma op de bank. Ze keek naar buiten, naar de regen die tegen het raam tikte.

‘Weet je nog, Lieke,’ zei ze zacht, ‘hoe we vroeger samen naar de markt gingen? Jij mocht altijd een zakje drop uitzoeken.’

Ik glimlachte flauwtjes. ‘Ja oma, dat weet ik nog.’

Ze kneep in mijn hand. ‘Je bent zo groot geworden. Maar soms… soms weet ik niet meer waar ik ben.’

Mijn hart brak. ‘Ik ben hier, oma. Ik laat je niet alleen.’

De volgende ochtend was het gesprek onvermijdelijk. Mijn ouders zaten aan tafel, hun gezichten gespannen.

‘Lieke,’ begon mijn vader voorzichtig, ‘we moeten een beslissing nemen. Het gaat niet meer zo. We kunnen niet altijd thuis zijn en oma heeft zorg nodig die wij niet kunnen geven.’

Mijn moeder veegde een traan weg. ‘Het voelt alsof ik haar verraad.’

‘We doen dit uit liefde,’ zei mijn vader zacht.

Ik stond op en liep naar boven, naar oma’s kamer. Ze zat op haar bed, haar koffertje al gepakt – alsof ze het wist.

‘Waar ga ik heen?’ vroeg ze met een bibberende stem.

Ik slikte. ‘Naar een plek waar mensen goed voor je zorgen, oma. Maar… het is niet thuis.’

Ze keek me aan met een mengeling van angst en berusting. ‘Zal jij me nog bezoeken?’

‘Elke dag als het kan,’ beloofde ik.

De dag van de verhuizing regende het pijpenstelen. Mijn moeder hield oma’s hand vast terwijl we door de gangen van het verzorgingstehuis liepen. De geur van soep en schoonmaakmiddel hing in de lucht. In haar nieuwe kamer stond een bed met een sprei vol bloemen en een stoel bij het raam.

‘Het is hier mooi,’ zei oma dapper. Maar haar ogen dwaalden af naar buiten, naar de grijze lucht boven Amsterdam-Noord.

De eerste weken bezocht ik haar elke dag na school. Soms zat ze te breien, soms staarde ze alleen maar voor zich uit. De andere bewoners leken schimmen die langs haar heen bewogen.

Op een middag trof ik haar huilend aan.

‘Ze zeggen dat ik niet meer naar huis mag,’ snikte ze. ‘Waarom mag ik niet meer thuis zijn?’

Ik wist geen antwoord.

Thuis werd het stiller zonder oma. Mijn ouders leken opgelucht maar ook schuldig. Mijn moeder keek vaak naar oude foto’s van vroeger: oma met haar handen in het deeg, lachend op het strand van Zandvoort.

Op een avond barstte de bom tijdens het eten.

‘Jullie hebben haar gewoon weggebracht!’ riep ik uit. ‘Ze hoort bij ons!’

Mijn vader sloeg met zijn vuist op tafel. ‘En wat dan? Dat we allemaal kapotgaan? Je moeder kan niet meer slapen, ik ben doodmoe van het werk en jij… jij hebt je school!’

Mijn moeder huilde zachtjes.

‘We hadden geen keus,’ fluisterde ze.

De weken werden maanden. Oma werd stiller, haar blik doffer. Soms herkende ze me niet meer als ik kwam.

Op een dag vond ik haar slapend in haar stoel, een foto van opa in haar handen geklemd.

‘Ik mis hem zo,’ fluisterde ze toen ze wakker werd.

‘Ik ook, oma.’

De verzorgsters waren lief, maar hadden weinig tijd. Soms hoorde ik andere bewoners roepen om hun kinderen die nooit kwamen.

Op een middag zat ik met oma in de tuin van het tehuis. De zon scheen voorzichtig door de wolken.

‘Weet je wat het ergste is?’ zei ze plotseling. ‘Dat je voelt dat je overbodig bent geworden.’

Ik slikte mijn tranen weg.

‘Je bent nooit overbodig, oma.’

Ze glimlachte flauwtjes en aaide mijn wang.

Toen kwam corona en mochten we maandenlang niet op bezoek komen. Ik schreef brieven, stuurde foto’s, maar kreeg geen antwoord terug.

Toen we eindelijk weer mochten komen, was oma veranderd. Haar ogen waren dof, haar stem zwak.

‘Ben jij Lieke?’ vroeg ze aarzelend.

‘Ja oma, ik ben het.’

Ze kneep even in mijn hand en viel toen weer weg in haar eigen wereld.

Een maand later overleed ze in haar slaap.

We stonden met z’n allen bij haar graf op de begraafplaats in Zaandam. Mijn moeder huilde onbedaarlijk; mijn vader hield haar vast alsof hij nooit meer los wilde laten.

Thuis vond ik een briefje in oma’s oude bijbel:
‘Lieve Lieke,
Vergeet nooit dat liefde soms betekent dat je los moet laten – ook al doet het pijn.’

Nu zit ik vaak aan tafel en vraag me af: Hebben we het juiste gedaan? Had liefde niet juist moeten betekenen dat we haar bij ons hielden? Of is loslaten soms echt het grootste bewijs van liefde?

Wat denken jullie? Wanneer doe je het juiste voor iemand van wie je houdt – door vast te houden of door los te laten?