Het Geheim Achter de Muren van de Herengracht

‘Waarom is het hier zo koud, zelfs als de zon schijnt?’ vroeg ik mezelf, terwijl ik met trillende handen het zilveren dienblad vasthield. De kristallen glazen rinkelden zachtjes tegen elkaar. In de grote salon aan de Herengracht klonk gelach en geroezemoes; de elite van Amsterdam vierde het huwelijk van mijn werkgever, meneer Van der Laan, met zijn nieuwe vrouw, Marieke. Niemand leek zich te herinneren dat zijn eerste vrouw, Annelies, nog geen maand geleden onder mysterieuze omstandigheden was overleden.

‘Sophie, kun je even komen?’ Marieke’s stem sneed door het geroezemoes. Ze glimlachte gemaakt, haar ogen koud als ijs. Ik knikte en liep naar haar toe. ‘Zorg dat niemand naar boven gaat, ja? De bovenverdieping is privé.’

‘Natuurlijk, mevrouw,’ antwoordde ik, maar mijn hart bonsde in mijn keel. Waarom mocht niemand naar boven? En waar was Daan, het zoontje van meneer Van der Laan? Iedereen zei dat hij op vakantie was met zijn tante in Friesland, maar ik had hem al dagen niet gehoord of gezien.

Terwijl ik glazen ophaalde, ving ik flarden van gesprekken op. ‘Zo snel hertrouwen…’ fluisterde mevrouw De Groot tegen haar vriendin. ‘En dat kind… zo stil ineens.’

Later die avond, toen de gasten zich vergaapten aan de champagnefontein, hoorde ik iets wat mijn bloed deed stollen: een zacht snikken, ergens boven mij. Het kwam uit de muur bij het trappenhuis. Ik keek om me heen; niemand lette op mij. Mijn nieuwsgierigheid overwon mijn angst. Ik sloop de trap op, mijn schoenen uitgeschopt om geen geluid te maken.

Boven was het donker en kil. De deur naar Daan’s kamer zat op slot – vreemd, want dat deed Annelies nooit. Toen hoorde ik het weer: een zwak gehuil, gevolgd door gesmoorde woorden. ‘Mama… help…’

Mijn adem stokte. Was Daan hier? Waarom loog iedereen dan?

Ik voelde langs de muur en ontdekte een losse plank achter het schilderij van een oude familievoorvader. Met bonzend hart trok ik eraan. Een ijzige tocht gleed langs mijn vingers. Achter de plank zat een smalle ruimte – en daar zag ik hem: Daan, ineengedoken, zijn gezicht nat van de tranen.

‘Ssst… Sophie?’ fluisterde hij schor.

‘Daan! Wat doe je hier? Wat is er gebeurd?’

Hij klampte zich aan me vast. ‘Marieke heeft mama pijn gedaan… Ze zei dat ik moest zwijgen, anders zou ze mij ook wegdoen.’

Mijn maag draaide om. Dit kon niet waar zijn. Maar zijn angst was echt – en ineens vielen alle puzzelstukjes op hun plek: Marieke’s plotselinge komst, Annelies’ dood, het verbod op de bovenverdieping.

Plotseling hoorde ik voetstappen op de trap. Marieke’s stem klonk scherp: ‘Sophie? Waar ben je?’

Ik trok Daan uit de nis en duwde hem achter mij. ‘Blijf stil,’ fluisterde ik.

De deur zwaaide open. Marieke stond in de deuropening, haar ogen flitsten van woede. ‘Wat doen jullie hier?’

‘Ik hoorde iets… Ik dacht dat er een muis zat,’ loog ik.

Ze lachte kil. ‘Je bent nieuwsgieriger dan goed voor je is.’

Daan begon te snikken. Marieke liep dreigend op ons af. ‘Als je iemand iets vertelt, Sophie, dan weet je wat er met Annelies is gebeurd…’

Mijn handen trilden, maar ik wist wat me te doen stond. ‘Daan, ren!’ riep ik en duwde hem langs Marieke heen de gang op.

Ze probeerde hem te grijpen, maar ik gooide het schilderij naar haar toe. Het glas brak met een harde knal. Daan rende naar beneden; ik volgde hem op de voet.

Beneden waren nog enkele gasten over. Daan stormde huilend naar zijn vader toe: ‘Papa! Help!’

Iedereen keek geschokt toe terwijl Marieke naar beneden kwam gerend, haar gezicht verwrongen van woede.

‘Wat gebeurt hier?’ vroeg meneer Van der Laan streng.

Ik haalde diep adem en vertelde alles wat ik wist – over Daan in de muur, over Marieke’s dreigementen, over Annelies’ laatste dagen.

De kamer vulde zich met ongeloof en geschreeuw. Marieke probeerde zich eruit te praten: ‘Ze liegen! Dat kind is in de war!’

Maar Daan wees trillend naar haar: ‘Ze heeft mama pijn gedaan! Ze zei dat ze mij ook weg zou doen!’

De politie werd gebeld; binnen een uur werd Marieke afgevoerd. Meneer Van der Laan zakte in elkaar op een stoel en barstte in tranen uit.

Daan klampte zich aan mij vast. ‘Dank je wel, Sophie…’

De dagen daarna voelde het huis leeg en koud aan. Meneer Van der Laan sprak nauwelijks; Daan sliep elke nacht bij mij op zolder omdat hij bang was alleen te zijn.

Op een avond zat ik aan het raam en keek uit over de grachten. Mijn handen trilden nog steeds als ik dacht aan die nacht.

Was het mijn taak geweest om me met hun leven te bemoeien? Had ik alles goed gedaan? Of had ik het eerder moeten zien?

Soms vraag ik me af: hoeveel geheimen liggen er nog verborgen achter de muren van deze oude huizen? En hoeveel mensen kijken weg uit angst voor de waarheid?