De brief die mijn leven verscheurde: Hoe een alimentatiezaak van mijn moeder alles veranderde

‘Dus je gaat het echt niet doen, hè?’ De stem van mijn moeder trilt aan de andere kant van de lijn. Ik staar naar het blauwe logo van de Belastingdienst op de envelop die nog steeds op tafel ligt. Mijn handen zijn klam. ‘Mam, ik… Ik weet het niet. Dit is allemaal zo snel gegaan.’

Ze zucht diep. ‘Je weet heel goed wat je moet doen, Marloes. Je bent mijn dochter. Je hoort voor me te zorgen.’

Mijn keel knijpt dicht. Ik hoor op de achtergrond het tikken van haar klok, het geluid dat ik als kind altijd geruststellend vond. Nu klinkt het als een dreigend aftellen. ‘Mam, ik heb zelf ook een gezin. Je weet dat het financieel niet makkelijk is met Joris zijn baan die op de tocht staat en de kinderen…’

‘Ik heb recht op alimentatie,’ onderbreekt ze me scherp. ‘Dat is gewoon zo in Nederland. Je vader betaalt niks meer sinds hij met die trut uit Amersfoort is gaan samenwonen. En jij hebt een vaste baan, Marloes. Jij kan dit dragen.’

Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen. Mijn moeder heeft altijd alles voor mij gedaan, zegt ze. Maar ik herinner me vooral de avonden dat ze dronken op de bank lag, terwijl ik mijn broertje naar bed bracht en haar lege wijnglazen weggooide voordat hij ze kon vinden.

De brief kwam vorige week. Een officiële dagvaarding: mijn moeder eist alimentatie van mij, haar dochter. Ik wist niet eens dat zoiets kon in Nederland, tot ik het zwart op wit zag staan. Mijn man Joris keek me aan met grote ogen toen ik het hem vertelde.

‘Dit meen je niet,’ zei hij zacht. ‘Je eigen moeder?’

‘Ze zegt dat ze niet rondkomt nu papa weg is,’ fluisterde ik. ‘Maar ze heeft altijd gezegd dat ze onafhankelijk wilde zijn.’

Joris schudde zijn hoofd. ‘Ze heeft jou altijd alles laten oplossen, Loes. Dit is gewoon weer hetzelfde.’

Ik wilde hem tegenspreken, maar ergens wist ik dat hij gelijk had. Mijn moeder had me altijd als haar vertrouweling gezien, haar steun en toeverlaat – maar nooit als haar kind.

De dagen na de brief voelde ik me als een robot. Opstaan, kinderen aankleden, naar mijn werk als verpleegkundige in het ziekenhuis in Utrecht, weer naar huis, koken, huiswerk controleren, Joris geruststellen dat het allemaal wel goed zou komen.

Maar ’s nachts lag ik wakker. Ik dacht aan vroeger: hoe ik als meisje van tien haar boodschappen deed omdat ze te moe was om uit bed te komen; hoe ik haar tranen droogde na weer een ruzie met papa; hoe ik haar beloofde dat ik nooit weg zou gaan.

En nu? Nu stond ik op het punt haar te laten vallen.

De dag van de zitting was grijs en koud. Ik zat tegenover haar in de rechtbank, haar gezicht bleek en gespannen. Ze keek me niet aan. Haar advocaat sprak namens haar: ‘Mevrouw Van Dijk heeft recht op een bijdrage van haar dochter, gezien haar beperkte inkomsten en de zorg die zij jarenlang aan haar dochter heeft besteed.’

Mijn advocaat probeerde uit te leggen dat ik zelf nauwelijks rondkwam met twee jonge kinderen en een man die net zijn baan was kwijtgeraakt. Maar ik zag aan de blik van de rechter dat hij vooral medelijden had met mijn moeder.

Na afloop liep ik snel naar buiten, maar mijn moeder haalde me in bij de fietsenstalling.

‘Je hebt me verraden,’ siste ze. ‘Jij bent net als je vader.’

Ik voelde iets breken in mij. ‘Mam, ik kan niet alles voor je oplossen. Ik ben ook maar een mens.’

Ze draaide zich om en liep weg zonder nog iets te zeggen.

Thuis wachtte Joris me op met open armen, maar ik voelde me leeg. De kinderen vroegen waarom oma zo boos was en of ze nog wel mocht komen logeren.

‘Oma is even verdrietig,’ zei ik zacht.

De weken daarna sprak ik haar nauwelijks. Ze stuurde af en toe boze appjes: ‘Je laat me stikken’, ‘Je bent ondankbaar’, ‘Ik had beter geen kinderen kunnen krijgen’. Ik las ze allemaal, maar antwoordde niet meer.

Op een avond zat ik met Joris aan tafel toen hij voorzichtig vroeg: ‘Heb je spijt?’

Ik dacht lang na voordat ik antwoordde.

‘Ik weet het niet,’ zei ik uiteindelijk. ‘Ik voel me schuldig tegenover haar, maar ook tegenover mezelf en jullie. Hoe lang moet je blijven zorgen voor iemand die jou nooit echt heeft beschermd?’

Joris pakte mijn hand vast. ‘Je hebt recht op je eigen leven, Loes.’

Maar waarom voelde het dan alsof ik iets onherstelbaars had gedaan?

Op een dag stond mijn broertje Bas ineens voor de deur. Hij was altijd de lieveling geweest – de jongen die alles mocht, voor wie mama altijd een excuus had.

‘Mam is echt helemaal overstuur,’ zei hij zonder groet.

‘Bas, wat wil je dat ik doe? Ik kan het geld gewoon niet missen.’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze zegt dat jij haar leven kapotmaakt.’

‘En wat vind jij?’ vroeg ik zacht.

Hij keek weg. ‘Ik weet het niet meer, Loes. Alles is kapot.’

Die nacht droomde ik van vroeger: mama die lachte in de tuin, Bas en ik spelend in het gras, papa die ons riep voor het avondeten. Waar was het misgegaan? Was er ooit echt geluk geweest of was het altijd al gebroken?

De rechter besliste uiteindelijk dat ik een kleine bijdrage moest betalen – minder dan mama had geëist, maar toch genoeg om ons gezin te laten schrapen aan het einde van de maand.

Mama stuurde geen bedankje, geen berichtje meer. Ze was stilgevallen – en die stilte voelde als een leegte die nooit meer gevuld zou worden.

Soms zie ik haar lopen door de stad, kleiner dan vroeger, haar schouders gebogen onder een onzichtbare last. Ik wil naar haar toe rennen, haar vasthouden en zeggen dat het me spijt – maar iets houdt me tegen.

Ben ik nu een slechte dochter? Of ben ik eindelijk mezelf geworden? Kan je in Nederland eigenlijk wel tegelijk een goede dochter én een goede moeder zijn? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf en je familie?