De stilte tussen ons: een jaar zonder antwoord

“Waarom, Bas? Waarom heb je het gedaan?” Mijn stem trilt terwijl ik naar het scherm staar, waarop de bewakingsbeelden van de bank langzaam opnieuw afspelen. Mijn handen zijn klam, mijn hart bonkt in mijn borstkas. Ik hoor de regen zachtjes tikken tegen het raam van mijn kleine appartement in Amersfoort. Buiten is het grijs, maar binnen is het donkerder dan ooit.

Het begon allemaal bijna een jaar geleden. Mijn vrouw, Marijke, was net overleden na een lang ziekbed. De stilte in huis was ondraaglijk. Mijn oudste zoon, Bas, kwam steeds minder vaak langs. Alleen mijn jongste, Jeroen, hield contact. Hij woont in Groningen en stuurt me elke maand geld om rond te komen. Of… dat dacht ik.

De eerste maanden na Marijke’s dood leefde ik op automatische piloot. Ik deed boodschappen bij de Albert Heijn om de hoek, dronk koffie met de buren en probeerde niet te denken aan hoe leeg het huis was geworden. Maar toen begon ik te merken dat er iets niet klopte. Mijn rekening raakte sneller leeg dan normaal. Ik dacht eerst dat ik me vergiste – misschien had ik te veel uitgegeven aan medicijnen of boodschappen? Maar toen bleef het geld van Jeroen uit.

“Pap, ik heb het geld weer overgemaakt hoor,” zei Jeroen aan de telefoon. Zijn stem klonk altijd opgewekt, maar ik hoorde de vermoeidheid erdoorheen. “Laat je het even weten als het binnen is?”

“Ja jongen, komt goed,” loog ik. Want het geld kwam niet binnen. Niet die maand, niet de maand daarna.

Ik probeerde Bas te bellen, maar hij nam nooit op. Zijn vrouw, Anouk, stuurde een paar keer een berichtje: ‘Druk met werk, Henk! We komen snel langs.’ Maar ze kwamen niet.

Op een dag besloot ik naar de bank te gaan. De jonge vrouw achter de balie keek me vriendelijk aan, maar haar blik werd serieuzer toen ik uitlegde wat er aan de hand was.

“Zou u misschien de afschriften kunnen laten zien?” vroeg ze.

Samen bekeken we mijn rekening. Steeds op dezelfde dag werd er geld opgenomen bij een pinautomaat in Utrecht – niet in Amersfoort, niet in Groningen. Mijn hart sloeg over.

“Dat kan niet,” fluisterde ik. “Ik kom nooit in Utrecht.”

De bankmedewerker fronste haar wenkbrauwen en stelde voor om de camerabeelden op te vragen. Het duurde weken voordat ik iets hoorde. Ondertussen werd mijn wereld steeds kleiner. Ik durfde niemand meer te vertrouwen.

Op een druilerige dinsdag kreeg ik eindelijk een telefoontje van de bank: “Meneer van Dijk, we hebben de beelden ontvangen. U kunt langskomen.”

Ik zat tegenover een man in pak die me zwijgend een tablet overhandigde. Op het scherm zag ik iemand met een capuchon bij de pinautomaat staan. Maar toen hij zich omdraaide, herkende ik hem meteen: Bas.

Mijn keel kneep dicht. Mijn eigen zoon.

Thuis zat ik urenlang naar het plafond te staren. Waarom had hij dit gedaan? Had hij schulden? Was hij boos op mij? Of was het gewoon gemakzucht?

De volgende dag stond Bas ineens voor mijn deur. Zijn ogen waren rood, zijn schouders hingen slap.

“Pap… kunnen we praten?”

Ik liet hem binnen zonder iets te zeggen. We zaten zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel waar Marijke altijd haar appeltaart bakte.

“Het spijt me,” begon Bas uiteindelijk. “Ik… Ik had geld nodig. Meer dan je denkt.”

“Waarom heb je niets gezegd?” Mijn stem brak.

Bas keek naar zijn handen. “Ik schaamde me. Ik ben alles kwijtgeraakt met die investeringen… Anouk weet van niets.”

Woede en verdriet vochten om voorrang in mijn borst. “Dus je steelt van je eigen vader? Van het geld dat Jeroen stuurt?”

Hij knikte zwijgend.

“Je moeder zou zich omdraaien in haar graf,” fluisterde ik.

We zaten urenlang in stilte. Uiteindelijk stond Bas op en liep zonder om te kijken de deur uit.

De dagen daarna voelde ik me leeg en verraden. Jeroen belde weer: “Pap, alles goed? Je klinkt zo anders.”

Ik wilde hem alles vertellen, maar iets hield me tegen. Misschien schaamde ik me wel net zo erg als Bas.

De weken verstreken en Bas liet niets meer van zich horen. Anouk stuurde een kaartje voor mijn verjaardag, maar verder bleef het stil. Jeroen kwam langs met zijn kinderen en bracht leven in huis, maar zelfs hun gelach kon het gat niet vullen dat Bas had achtergelaten.

Op een avond zat ik alleen aan tafel met een kop lauwe thee en dacht aan vroeger – aan vakanties op Texel, aan verjaardagen vol familie en vrienden, aan Marijke’s zachte stem die altijd vrede bracht tussen mij en de jongens.

Waar was het misgegaan? Had ik iets over het hoofd gezien? Had ik Bas te veel of juist te weinig gegeven?

Soms denk ik eraan om Jeroen alles te vertellen – over het geld, over Bas – maar dan slik ik mijn woorden weer in. Misschien is zwijgen makkelijker dan toegeven dat je familie uit elkaar valt door geheimen en schaamte.

Nu is het bijna een jaar geleden dat alles begon. Ik leef nog steeds van mijn kleine pensioen en de spaarzame euro’s die Jeroen stuurt – nu rechtstreeks naar mijn nieuwe rekening bij een andere bank.

Soms hoor ik Bas’ stem in mijn hoofd: “Het spijt me.” Maar spijt vult geen lege koelkast en heelt geen gebroken vertrouwen.

Hebben anderen dit ook meegemaakt? Hoe vergeef je iemand die alles kapotmaakt wat je lief is? Of is zwijgen soms toch beter dan de waarheid onder ogen zien?