De Dag Dat Mijn Vader Viel

‘Blijf van hem af!’ Mijn stem trilde, maar ik hoorde mezelf nauwelijks boven het gebrul van motoren en het scherpe gekletter van plastic op asfalt. Mijn vader lag op de grond, zijn gehoorapparaat meters verderop, terwijl een onbekende man met gebalde vuisten boven hem stond.

Het was een doodgewone donderdagmiddag. Ik tankte mijn oude Opel Astra bij het Stop-N-Go tankstation langs de A49, ergens tussen Zwolle en Deventer. Mijn vader, Willem van Dijk, 81 jaar en nog altijd rechtop als een soldaat, was uitgestapt om even zijn benen te strekken. Hij droeg zijn oude marinepet, die hij nooit afzette sinds mama drie jaar geleden was overleden.

‘Wat kijk je nou, ouwe?’ De man die hem sloeg, was jong, gespierd, met een leren jack en een blik vol woede. Mijn vader had waarschijnlijk iets gezegd over zijn parkeergedrag – hij kon het niet laten, altijd rechtvaardig, altijd eerlijk. Maar deze keer had hij de verkeerde aangesproken.

Ik rende naar hen toe. ‘Laat hem met rust!’ riep ik nogmaals, maar mijn stem klonk dun. De man draaide zich om, zijn ogen flitsten naar mij. ‘Bemoei je er niet mee, gast.’

Plotseling hoorde ik het geluid van tientallen motoren die tot stilstand kwamen. Ik keek op en zag een groep motorrijders – minstens vijftig – hun helmen afzetten en zich als één man richting de dader bewegen. De leider, een brede kerel met een grijze baard en een leren vest waarop “De IJsselridders” stond, stapte naar voren.

‘Is er een probleem?’ vroeg hij kalm, maar met een dreiging in zijn stem die zelfs mij kippenvel bezorgde.

De dader keek om zich heen, zag dat hij omsingeld werd, en koos eieren voor zijn geld. Hij sprong in zijn auto en reed met piepende banden weg. Mijn vader lag nog steeds op de grond. Ik knielde naast hem neer.

‘Papa? Gaat het?’

Zijn ogen waren waterig, zijn lip bloedde. ‘Het spijt me, jongen,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde alleen maar zeggen dat hij niet zo moest schreeuwen tegen die vrouw daar.’

Ik keek op en zag inderdaad een jonge moeder met haar dochtertje huilend bij haar auto staan. Mijn vader had haar willen beschermen – zoals altijd.

De motorrijders hielpen ons overeind. Eén van hen vond het gehoorapparaat terug onder een geparkeerde scooter. ‘Sterkte, ouwe held,’ zei hij zachtjes tegen mijn vader.

We reden in stilte naar huis. Thuis wachtte mijn zus Marieke ons op. Ze was altijd al de praktische van ons tweeën. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze scherp toen ze het bloed op papa’s gezicht zag.

‘Een ongelukje,’ mompelde ik.

‘Een ongelukje? Je liegt! Je liegt altijd als het om papa gaat!’ Haar stem sloeg over.

‘Marieke, niet nu,’ probeerde ik, maar ze duwde me opzij en begon papa te verzorgen.

Die avond zat ik alleen in mijn kamer. De beelden bleven zich herhalen: de klap, papa’s val, de angst in zijn ogen – en mijn eigen machteloosheid. Waarom had ik niet sneller gereageerd? Waarom had ik hem niet kunnen beschermen?

De dagen erna werd papa stiller dan ooit. Hij at nauwelijks, keek urenlang uit het raam naar de regen die tegen het glas tikte. Marieke en ik kregen steeds vaker ruzie over hoe we voor hem moesten zorgen.

‘Je moet hem niet zo betuttelen,’ zei ik op een avond terwijl we samen afwas deden.

‘En jij moet eens ophouden met alles goedpraten! Hij wordt oud, Tom! Hij heeft hulp nodig!’

‘Hij is geen kind!’

‘Nee, maar jij bent nog steeds bang voor hem! Je durft nooit tegen hem in te gaan!’

Ik gooide de theedoek op het aanrecht en liep naar buiten. De lucht was zwaar van de naderende herfststorm. Ik stak een sigaret op – iets wat ik mezelf had beloofd nooit te doen na mama’s dood – en staarde naar de straatlantaarn die flakkerde in de wind.

Die nacht droomde ik van vroeger: papa die me leerde fietsen in het park bij de IJssel, zijn hand stevig op mijn schouder; mama die lachte vanaf het bankje; Marieke die jaloers toekeek omdat zij nog zijwieltjes had. Alles leek toen zo simpel.

Maar nu? Nu voelde alles als drijfzand.

Een week na het incident kwam de politie langs. Ze hadden camerabeelden van het tankstation en vroegen of we aangifte wilden doen.

Papa schudde zijn hoofd. ‘Laat maar zitten,’ zei hij zachtjes. ‘Die jongen heeft zichzelf al genoeg gestraft.’

Marieke barstte in tranen uit. ‘Waarom laat je altijd over je heen lopen? Waarom mag niemand voor jou vechten?’

Papa keek haar aan met die zachte blik die ik zo goed kende. ‘Omdat vechten niet altijd de oplossing is, meisje.’

Die avond zat ik naast hem op de bank. De televisie stond aan, maar geen van ons keek echt.

‘Ben je bang geworden?’ vroeg ik plotseling.

Hij glimlachte flauwtjes. ‘Nee, Tom. Ik ben niet bang voor mensen zoals hij. Ik ben bang om jullie kwijt te raken.’

Ik slikte moeizaam. ‘We raken jou niet kwijt, pap.’

Maar diep vanbinnen wist ik dat we hem al langzaam aan het verliezen waren – aan de tijd, aan de ouderdom, aan herinneringen die steeds verder vervaagden.

De weken verstreken. Papa herstelde lichamelijk, maar geestelijk bleef er iets gebroken. Marieke en ik probeerden dichter bij elkaar te komen, maar elke poging eindigde in verwijten of stilte.

Op een avond vond ik papa in de tuin, starend naar de sterren.

‘Weet je nog dat we hier samen kampeerden?’ vroeg hij plotseling.

Ik knikte. ‘Jij vertelde altijd verhalen over de zee.’

Hij lachte zachtjes. ‘En jij geloofde alles.’

We zwegen even.

‘Tom… beloof me dat je niet verbitterd raakt door wat er gebeurd is.’

Ik keek hem aan en voelde tranen prikken achter mijn ogen.

‘Ik weet het niet, pap,’ fluisterde ik eerlijk.

Nu zit ik hier en schrijf dit verhaal op, hopend dat iemand begrijpt hoe één moment alles kan veranderen – hoe geweld niet alleen lichamen breekt, maar ook families verscheurt en oude wonden openrijt.

Was ik te zwak? Had ik meer moeten doen? Of is vergeving uiteindelijk sterker dan wraak?

Wat zouden jullie doen als je vader viel – letterlijk én figuurlijk?