Elke dag komt mijn schoonvader langs en ik kan het probleem met het verdwijnende eten niet oplossen – mijn leven in een notendop

‘Weer alles op,’ mompel ik terwijl ik de koelkastdeur dichtgooi. Mijn handen trillen van frustratie. De kaas, de yoghurt, zelfs het laatste stukje appeltaart dat ik gisteren speciaal voor mezelf had bewaard – alles is weg.

‘Marloes, dit kan zo niet langer!’ roep ik naar boven, waar mijn vrouw waarschijnlijk alweer in haar thuiskantoor zit te werken.

Ze komt langzaam de trap af, haar gezicht gespannen. ‘Wat is er nu weer, Bas?’

‘Je vader is hier net geweest, of niet? Alles is weer op. Ik snap dat hij het moeilijk heeft sinds mama weg is, maar dit…’

Ze zucht diep. ‘Hij is eenzaam, Bas. En jij weet hoe hij is. Hij bedoelt het niet kwaad.’

‘Maar Marloes, het is elke dag hetzelfde liedje! Ik werk me kapot, kom thuis en er is niks meer over. Zelfs geen boterham meer voor morgen.’

Ze kijkt me aan met die blik die ik inmiddels zo goed ken: vermoeid, maar ook een beetje verwijtend. ‘Wil je dan dat ik hem wegstuur? Dat kan ik niet.’

Ik draai me om en loop naar het raam. Buiten regent het zachtjes, de straten van Utrecht glanzen nat in het vale licht. Zes maanden geleden zijn we hierheen verhuisd, weg van de rust van ons oude huis aan de rand van Zwolle. Alles voor Marloes’ nieuwe baan bij de universiteit en omdat ik dacht dat een nieuwe start ons goed zou doen.

Maar sinds we hier wonen, lijkt alles alleen maar ingewikkelder geworden. Mijn schoonvader, Henk, woont nu twintig minuten verderop en vindt het blijkbaar vanzelfsprekend om elke dag bij ons binnen te vallen. Hij heeft een sleutel – gekregen van Marloes, zonder dat ze het mij vroeg – en voelt zich hier meer thuis dan ik.

Ik herinner me nog de eerste keer dat hij onaangekondigd binnenkwam. Het was een zaterdagmiddag, ik stond net onder de douche toen ik hem beneden hoorde rommelen. Toen ik naar beneden kwam, zat hij al aan tafel met een biertje en een halve zak chips.

‘Hé Bas! Je hebt lekkere kaas gehaald zeg!’ riep hij vrolijk.

Ik lachte toen nog, dacht dat het eenmalig was. Maar nu, maanden later, is het dagelijkse kost geworden.

De spanning tussen Marloes en mij groeit met de dag. We praten nauwelijks nog over iets anders dan haar vader of het eten dat verdwijnt. Soms betrap ik mezelf erop dat ik hoop dat hij vandaag eens niet komt.

Op een avond zit ik alleen op de bank als Henk weer binnenkomt. Hij groet me nauwelijks, loopt direct naar de keuken en begint in de koelkast te graaien.

‘Hé Bas, heb je nog bier?’ vraagt hij zonder op te kijken.

‘Nee Henk, alles is op,’ zeg ik kortaf.

Hij kijkt me even aan en haalt zijn schouders op. ‘Jammer dan.’

Ik voel woede opborrelen, maar slik het in. Wat heeft het voor zin? Marloes komt binnen en begroet haar vader met een warme knuffel. Ze lachen samen om iets wat ik niet hoor. Ik voel me buitengesloten in mijn eigen huis.

Later die avond probeer ik opnieuw met Marloes te praten.

‘Kunnen we alsjeblieft afspraken maken? Misschien vaste dagen dat je vader komt? Of dat hij even belt voordat hij langskomt?’

Ze kijkt me aan alsof ik iets absurds voorstel. ‘Hij is familie, Bas. Dat doe je toch niet?’

‘Maar ik ben ook familie,’ zeg ik zacht.

Ze zegt niets meer en draait zich om.

De dagen verstrijken en het patroon herhaalt zich. Henk komt, eet alles op, vertrekt weer zonder veel woorden. Ik begin boodschappen te verstoppen in de kelderbox beneden – een plek waar Henk nooit komt – maar zelfs daar vindt hij na een tijdje de weg naartoe.

Op mijn werk merk ik dat ik steeds prikkelbaarder word. Mijn collega’s vragen wat er aan de hand is, maar ik wuif het weg. ‘Gewoon druk thuis,’ zeg ik dan.

Op een avond barst de bom.

Ik kom thuis na een lange dag werken en vind Henk slapend op onze bank, een lege pizzadoos op tafel. Marloes zit naast hem met haar laptop op schoot.

‘Serieus?’ vraag ik hardop.

Marloes kijkt op. ‘Wat nu weer?’

‘Dit! Dit is niet normaal meer! Ik wil gewoon één avond thuis zijn zonder dat je vader hier alles overneemt!’

Henk schrikt wakker en kijkt me verbaasd aan. ‘Rustig jongen, wat is er aan de hand?’

‘Wat er aan de hand is? Je bent hier elke dag! Je eet alles op, je doet alsof dit jouw huis is! Heb je enig idee hoe dat voelt?’

Het blijft even stil. Dan zegt Henk zacht: ‘Sinds je moeder weg is… heb ik niemand meer.’

Marloes legt haar hand op zijn arm. ‘Papa…’

Ik voel me schuldig, maar ook boos. Waarom moet ík altijd degene zijn die zich aanpast?

Die nacht slaap ik op de bank. Marloes komt niet naar me toe.

De volgende ochtend besluit ik met Henk te praten als Marloes naar haar werk is.

‘Henk… kunnen we even praten?’

Hij kijkt op van zijn koffie. ‘Tuurlijk jongen.’

‘Ik snap dat je het moeilijk hebt sinds oma er niet meer is. Maar dit… elke dag hier zijn… het vreet aan mij. Ik voel me geen baas meer in mijn eigen huis.’

Hij knikt langzaam. ‘Ik wist niet dat het zo erg was voor jou.’

‘Misschien kun je af en toe bellen voordat je langskomt? Of samen met ons eten plannen?’

Hij denkt na en zegt dan: ‘Ik zal mijn best doen, Bas.’

Het gesprek lucht op, maar lost niet alles op. Marloes blijft haar vader verdedigen en onze relatie blijft gespannen.

Soms vraag ik me af of deze verhuizing wel de juiste keuze was. Of we elkaar niet kwijtgeraakt zijn in alle goede bedoelingen.

Nu zit ik hier aan tafel, kijkend naar een lege koelkast en een huis vol stilte.

Hebben jullie ooit zoiets meegemaakt? Wanneer trek je de grens tussen familie en jezelf? Wat zou jij doen als je in mijn schoenen stond?