Handen Vol: Een Moederhart in de Knoop
‘Emma, je moet echt even gaan liggen. Je ziet eruit alsof je elk moment kunt omvallen.’ Naomi’s stem klinkt bezorgd, maar ergens ook dwingend. Ik knik, maar mijn handen blijven rusteloos over de stapel wasgoed gaan. ‘Het is goed, Naomi. Ik red het wel. Echt.’
‘Nee, Em. Je redt het niet. Kijk nou naar jezelf! Wayne werkt zich uit de naad, jij bent nog niet eens hersteld van de bevalling en die kinderen…’ Ze zucht diep en pakt de wasmand uit mijn handen. ‘Laat mij dit doen. Ga nou.’
Ik wil protesteren, maar mijn benen voelen zwaar. Mijn hoofd bonkt. De baby huilt boven, en beneden hoor ik Daan en Lotte ruziën over wie er met de rode auto mag spelen. Mijn leven, ooit overzichtelijk, is nu een draaikolk van geluiden, verwachtingen en schuldgevoelens.
Wayne en ik hadden nooit een derde kind gepland. We waren tevreden met onze twee kinderen, ons rijtjeshuis in Amersfoort, onze vaste banen. Maar toen bleek ik zwanger te zijn, was het alsof het universum een grap met ons uithaalde. Wayne lachte het weg: ‘Komt goed, Em. We fixen dit samen.’ Maar nu hij weer fulltime werkt en ik nog steeds op kraamverlof ben, voelt het alsof ik alles alleen moet dragen.
Naomi is er bijna elke dag. Ze bedoelt het goed, dat weet ik. Maar haar hulp voelt als een oordeel. Alsof ze elke stap die ik zet kritisch bekijkt. ‘Vroeger deed ik alles zonder hulp,’ zegt ze vaak. ‘Drie kinderen, een baan én een huishouden.’
Soms vraag ik me af of ze gelijk heeft. Ben ik zwak? Waarom voelt alles zo zwaar? Gisteravond lag ik wakker naast Wayne.
‘Wayne,’ fluisterde ik, ‘denk je dat ik dit wel kan?’
Hij draaide zich naar me om en streek een pluk haar uit mijn gezicht. ‘Je bent de sterkste vrouw die ik ken, Em. Maar je hoeft het niet alleen te doen.’
‘Maar het voelt alsof iedereen iets van me verwacht. De kinderen, jij, je moeder… Zelfs mijn eigen moeder belt elke dag om te vragen of ik het wel aankan.’
Wayne zuchtte. ‘Misschien moeten we gewoon accepteren dat het nu even zwaar is. Dat het oké is om hulp te vragen.’
Maar hulp vragen voelt als falen.
De volgende ochtend zit Naomi alweer aan de keukentafel als ik beneden kom. Ze heeft koffie gezet en de boterhammen voor Daan en Lotte gesmeerd.
‘Goedemorgen,’ zegt ze opgewekt. ‘Ik dacht, laat ik je alvast wat werk uit handen nemen.’
‘Dank je,’ mompel ik terwijl ik de baby oppak die begint te jammeren.
‘Emma,’ zegt Naomi plotseling zacht, ‘je weet dat ik alleen maar wil helpen, toch?’
Ik knik, maar mijn keel zit dicht.
Later die dag komt mijn moeder langs. Ze brengt bloemen mee en een pan soep.
‘Hoe gaat het nu echt met je?’ vraagt ze terwijl ze me aankijkt met die blik die moeders hebben als ze weten dat je liegt.
‘Goed hoor,’ lieg ik.
Ze pakt mijn hand vast. ‘Emma… Je hoeft niet altijd sterk te zijn.’
Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik weet het niet meer, mam. Alles voelt als te veel.’
Mijn moeder slaat haar armen om me heen en fluistert: ‘Je doet het goed, lieverd. Echt waar.’
’s Avonds barst de bom tussen Wayne en mij.
‘Waarom laat je je moeder alles overnemen?’ snauw ik terwijl ik de vaatwasser inruim.
Wayne kijkt verbaasd op van zijn telefoon. ‘Wat bedoel je? Ze helpt toch juist?’
‘Ja, maar het voelt alsof ze me controleert! Alsof ze denkt dat ik het niet kan!’
Wayne zucht diep. ‘Emma, ze bedoelt het goed. Ze ziet gewoon dat je het zwaar hebt.’
‘Misschien wil ik gewoon dat jíj er meer bent!’ roep ik uit.
Het is even stil.
‘Ik probeer er te zijn,’ zegt Wayne zacht. ‘Maar iemand moet toch werken? We kunnen niet allebei thuisblijven.’
Ik voel me schuldig om mijn uitbarsting, maar ook boos omdat hij het niet begrijpt.
Die nacht lig ik weer wakker. Ik hoor de baby ademhalen in het wiegje naast ons bed. Ik denk aan Naomi’s woorden, aan mijn moeders armen om me heen, aan Wayne’s vermoeide gezicht.
De volgende dag besluit ik met Naomi te praten.
‘Naomi,’ begin ik aarzelend terwijl ze de was ophangt in de tuin, ‘ik waardeer echt wat je doet… Maar soms voelt het alsof je me niet vertrouwt.’
Ze kijkt me aan met vochtige ogen. ‘Emma… Ik weet dat het moeilijk is om hulp te accepteren. Maar toen ik jong was, had ik niemand. Mijn moeder was al overleden toen Daan geboren werd. Ik moest alles alleen doen en geloof me, dat wens ik niemand toe.’
Ze legt haar hand op mijn arm. ‘Je bent een goede moeder. Je hoeft niet alles perfect te doen.’
Voor het eerst voel ik iets van opluchting.
De weken verstrijken langzaam. Soms is er ruzie, soms lachen we samen om de chaos in huis. Lotte schildert per ongeluk met vingerverf op de muur; Daan gooit zijn beker melk om; de baby huilt urenlang zonder reden.
Op een dag komt Wayne thuis met bloemen en een fles wijn.
‘Voor jou,’ zegt hij verlegen.
Ik glimlach moeizaam. ‘Dank je.’
We zitten samen op de bank terwijl de kinderen slapen.
‘Het spijt me van laatst,’ zegt hij zachtjes.
‘Mij ook,’ fluister ik terug.
Hij pakt mijn hand vast en samen kijken we naar de slapende baby in de box.
Soms denk ik terug aan hoe alles ooit overzichtelijk leek – twee kinderen, een baan, een huis vol plannen en dromen. Nu voelt alles als overleven van dag tot dag.
Maar misschien is dat ook oké.
Misschien is liefde niet altijd groot of groots – misschien zit het in kleine dingen: een pan soep van je moeder, een wasmand die voor je wordt leeggehaald door je schoonmoeder, een bos bloemen van je man na een ruzie.
En als ik ’s avonds naar mijn slapende kinderen kijk, vraag ik me af: Hoeveel kan een mens dragen voordat ze breekt? Of is juist dát wat ons sterker maakt?