Onder de Regen: Het Laatste Geschenk van Hendrik van Dijk
‘Waarom ben ik hier nog?’ fluisterde ik, terwijl de regen tegen het raam van mijn ziekenhuiskamer sloeg. Mijn ademhaling was zwaar, elke inademing voelde als een strijd. De artsen hadden het al opgegeven: mijn longen zouden het niet lang meer volhouden. Mijn kinderen, Jasper en Marieke, hadden hun bezoekjes tot het minimum beperkt. De erfenis was besproken, de laatste wensen genoteerd. Maar niemand vroeg ooit: “Ben je bang, pap?”
Die avond, drie weken geleden, was ik ontsnapt uit het ziekenhuis. Ik wilde nog één keer de stad voelen, de geur van natte klinkers, het geluid van fietsers die vloekten op het verkeer. Onder de Magere Brug zag ik ze: vier meisjes, niet ouder dan zestien, ineengedoken onder een kartonnen doos. Hun gezichten waren grauw, hun kleren doorweekt.
‘Meneer, heeft u misschien wat kleingeld?’ vroeg de oudste met trillende stem.
Ik keek haar aan. ‘Wat doen jullie hier? Het is koud en gevaarlijk.’
Ze haalde haar schouders op. ‘We hebben nergens anders om heen te gaan.’
Iets in mij brak. Misschien was het de eenzaamheid die ik voelde sinds mijn vrouw overleed, of het besef dat geld niets waard is als je niemand hebt om het mee te delen. Ik nam ze mee naar mijn huis aan de Herengracht. De meiden – Sanne, Noor, Esra en Lotte – keken hun ogen uit toen ze de marmeren hal binnenstapten.
‘Dit is… van u?’ vroeg Noor ongelovig.
‘Ja,’ zei ik zacht. ‘En vannacht is het ook van jullie.’
De dagen daarna veranderde mijn huis in een thuis. We aten samen stamppot, keken oude Nederlandse films en lachten om mijn slechte grappen. De meisjes vertelden over hun verleden: ouders die hen niet wilden, pleeggezinnen waar ze werden weggestuurd, nachten vol angst en kou. Ik voelde me schuldig om alles wat ik had en zij nooit hadden gekend.
Op een ochtend stond Jasper plotseling in de woonkamer. Zijn gezicht vertrok van woede toen hij de meisjes zag.
‘Wat is dit, pap? Je haalt zwervers in huis? Denk je niet aan je gezondheid?’
‘Ze zijn geen zwervers, Jasper. Ze zijn kinderen die niemand wil.’
‘En straks nemen ze alles mee! Je bent ziek, je weet niet wat je doet!’
De meisjes keken beschaamd naar hun voeten. Ik voelde hoe mijn hart brak tussen loyaliteit aan mijn zoon en de liefde voor deze vier vreemden die als dochters voelden.
‘Misschien moeten we gaan,’ fluisterde Esra.
‘Nee,’ zei ik beslist. ‘Jullie blijven hier zolang ik leef.’
Maar mijn gezondheid ging snel achteruit. Binnen een week lag ik weer in het ziekenhuis, machines piepten naast mijn bed. De artsen spraken over morfine en afscheid nemen.
Op een nacht werd ik wakker van gefluister aan mijn bed.
‘Hij slaapt nog…’ hoorde ik Sanne zeggen.
‘We moeten iets doen,’ zei Lotte zacht. ‘Hij heeft ons gered. Nu moeten wij hem helpen.’
De volgende ochtend stond het halve ziekenhuis op zijn kop. De meisjes hadden bloemen gestolen uit de tuin en mijn kamer ermee versierd. Ze hadden een playlist gemaakt met Nederlandse liedjes uit mijn jeugd en lazen me voor uit oude brieven van mijn vrouw die ze thuis hadden gevonden.
Zelfs de verpleegkundigen waren ontroerd. ‘Ik heb nog nooit zoiets gezien,’ zei zuster Anja tegen me. ‘U heeft hen gered, maar zij geven u nu iets terug wat wij niet kunnen bieden.’
Mijn kinderen kwamen weer langs, dit keer samen. Marieke huilde toen ze zag hoe de meisjes mijn hand vasthielden.
‘Ik wist niet dat je zo eenzaam was, pap,’ snikte ze.
Jasper keek me aan met vochtige ogen. ‘Sorry dat ik zo boos was. Ik snap nu waarom je dit deed.’
De laatste dagen waren gevuld met verhalen, muziek en warmte. Toen het einde naderde, zaten de meisjes aan mijn bed.
‘Dank u wel dat u ons een thuis gaf,’ fluisterde Noor.
Ik kneep in haar hand. ‘Jullie hebben mij meer gegeven dan ik ooit had durven dromen.’
Mijn adem werd zwakker, maar mijn hart was vol liefde en vrede.
Nu vraag ik me af: waarom wachten mensen tot het einde om echt te leven? Waarom zijn we zo bang om ons hart open te stellen voor vreemden? Misschien is dat wel het enige wat telt: durven geven, zelfs als je niets meer te verliezen hebt.