Onder Één Dak met Mijn Schoonmoeder: De Prijs van Vrijheid in een Huis Vol Regels

‘Nee, Anne, zo doen we dat hier niet. De vaatwasser moet altijd direct na het eten ingeruimd worden, niet pas later op de avond.’

De stem van mijn schoonmoeder, Truus, snijdt door de keuken als een mes door boter. Ik sta met trillende handen een bord af te spoelen. Mijn man, Jeroen, zit zwijgend aan tafel, zijn blik gefixeerd op zijn telefoon. Ik voel de woede in me opborrelen, maar ik slik het in. Alweer.

Toen Jeroen en ik vorig jaar besloten tijdelijk bij zijn moeder in Amersfoort in te trekken, dacht ik dat het hooguit drie maanden zou duren. Onze flat werd verbouwd en de woningmarkt was krankzinnig. Truus bood haar logeerkamer aan, en Jeroen verzekerde me: ‘Mijn moeder is streng, maar ze bedoelt het goed.’

Maar vanaf dag één voelde ik me een indringer in haar huis. Alles had een vaste plek, een vast ritme. Om zeven uur ontbijt, om twaalf uur lunch, om zes uur avondeten. Geen minuut te vroeg of te laat. Zelfs de gordijnen moesten op een bepaalde manier open en dicht.

‘Anne, de was moet je niet zo ophangen. De sokken horen bij elkaar, niet verspreid over het rek.’

‘Sorry, Truus,’ mompel ik, terwijl ik haar kritische blik voel branden. Jeroen zegt niets. Hij lijkt zich onzichtbaar te willen maken tussen ons in.

De eerste weken probeerde ik me aan te passen. Ik lachte om haar grapjes, hielp met koken en deed mijn best haar regels te volgen. Maar hoe meer ik probeerde, hoe meer ze leek te zoeken naar iets om me op aan te spreken.

Op een regenachtige dinsdagmiddag barstte de bom. Ik kwam thuis van mijn werk – ik geef Nederlands op een middelbare school – en vond Truus in de woonkamer, starend naar een koffievlek op het kleed.

‘Dit is nieuw,’ zei ze zonder op te kijken. ‘Hier drinken we koffie aan tafel.’

‘Het spijt me,’ zei ik zachtjes. ‘Ik was moe en—’

‘Moe? Iedereen is moe. Dat is geen excuus voor slordigheid.’

Die avond huilde ik stilletjes in de badkamer. Jeroen klopte op de deur.

‘Anne? Gaat het?’

‘Waarom zeg je nooit iets?’ snikte ik. ‘Waarom laat je haar altijd zo tegen mij doen?’

Hij zuchtte diep. ‘Ze is gewoon zo. Ze bedoelt het niet slecht.’

Maar het voelde wel slecht. Elke dag werd mijn wereld kleiner. Ik durfde nauwelijks nog te ademen zonder bang te zijn dat ik iets verkeerd deed.

Op een avond kwam ik thuis en hoorde ik Truus en Jeroen fluisteren in de keuken.

‘Ze past zich niet aan, Jeroen. Dit werkt zo niet.’

‘Mam, geef haar tijd. Het is ook voor haar moeilijk.’

‘Ze hoort zich gewoon aan de regels te houden. Dit is mijn huis.’

Ik voelde me als een kind dat stiekem meeluistert naar een gesprek over zichzelf. Mijn hart bonsde in mijn keel.

De volgende ochtend besloot ik het gesprek aan te gaan.

‘Truus, mag ik iets vragen?’

Ze keek me strak aan boven haar leesbril.

‘Natuurlijk.’

‘Ik doe echt mijn best om me aan te passen, maar soms voelt het alsof er geen ruimte voor mij is in dit huis. Zou het misschien iets flexibeler kunnen?’

Haar gezicht versteende.

‘Dit is mijn huis, Anne. Ik heb mijn hele leven gewerkt om het hier netjes en ordelijk te houden. Als je daar niet mee om kunt gaan…’

Ze liet de zin hangen. Jeroen kwam binnen en keek van mij naar zijn moeder.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij voorzichtig.

‘Niets,’ zei Truus snel.

Maar er was wel iets aan de hand. Vanaf dat moment werd het ijziger tussen ons. Kleine opmerkingen werden scherpe steken.

Op een dag kwam mijn moeder op bezoek uit Groningen. Ze zag meteen dat er iets mis was.

‘Je bent jezelf niet, Anne,’ zei ze zachtjes toen we samen in het park wandelden.

‘Ik weet niet meer wie ik ben,’ fluisterde ik terug.

De weken sleepten zich voort. De verbouwing van onze flat liep vertraging op; we zaten vast onder Truus’ dak. Mijn werk leed eronder: ik was prikkelbaar tegen mijn leerlingen, kon me slecht concentreren op toetsen nakijken.

Op een avond kwam Jeroen laat thuis van zijn werk. Ik zat alleen in onze kleine kamer, starend naar de muur.

‘We moeten praten,’ zei hij voorzichtig.

‘Over wat?’

‘Over ons… over hoe dit gaat.’

Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen.

‘Ik kan niet meer zo leven, Jeroen. Ik voel me gevangen in haar huis, in haar regels… Alsof ik niet besta.’

Hij knikte langzaam.

‘Ik weet het. Maar waar moeten we heen? We kunnen nergens anders terecht tot de flat klaar is.’

Die nacht sliep ik nauwelijks. De volgende ochtend besloot ik dat het zo niet langer kon.

Ik belde mijn moeder en vroeg of ik tijdelijk bij haar kon wonen, ook al betekende dat dagelijks twee uur reizen naar mijn werk.

Toen ik het Truus vertelde, keek ze opgelucht én gekwetst tegelijk.

‘Het is misschien beter zo,’ zei ze kortaf.

Jeroen bleef achter bij zijn moeder; hij wilde haar niet alleen laten tot onze flat klaar was.

De weken bij mijn moeder waren zwaar maar bevrijdend. Ik kon weer ademen, mezelf zijn zonder angst voor kritiek bij elke stap die ik zette.

Toen eindelijk ons eigen huis klaar was, trok Jeroen bij me in. Maar er was iets veranderd tussen ons; een afstand die moeilijk te overbruggen bleek.

Op een dag vroeg hij: ‘Ben je nog boos op mij?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Niet boos… maar wel anders geworden.’

Soms vraag ik me af: hoeveel van jezelf moet je opgeven om ergens bij te horen? En wat blijft er over als je jezelf steeds kleiner maakt? Misschien herkennen anderen zich hierin – hoe vind je je stem terug als niemand hem lijkt te willen horen?