Wanneer vriendschap ineens mantelzorg werd en ons pensioen niet meer van ons was
“Als jullie nu niet komen, loopt het hier helemaal uit de hand.” Die app kreeg ik op een zondag om half zeven, net toen ik de aardappels afgiet. Mijn man keek me aan en zei: “We gaan niet weer, toch?” En toch pakte ik mijn jas.
Wij wonen sinds twee jaar in een kleinschalig seniorenhofje in Gelderland. Alles gelijkvloers, gezamenlijke tuin, koffieochtenden in de recreatieruimte, dat idee. Na mijn pensioen uit de thuiszorg en dat van mijn man uit het onderwijs wilden we juist rust. Niet meer rennen, niet meer plannen, een beetje fietsen, oppassen op de kleinkinderen als het uitkomt, dat soort dingen.
Daar leerden we een ander echtpaar kennen. Het klikte meteen. Eerst samen wandelen, daarna elke woensdag eten, weekendje Texel, museumjaarkaart erbij, gewoon gezellig. We hadden het er zelfs over dat dit misschien wel de mensen waren met wie we oud zouden worden.
Tot vorig najaar. Toen begon het met kleine dingen. Verhalen drie keer vertellen. De sleutel in de koelkast. Boos worden omdat de afstandsbediening “gestolen” zou zijn. De partner zei eerst nog: “Ach, leeftijd.” Maar ik zag het wel. Mijn eigen moeder had dementie, dus sommige signalen herkende ik helaas meteen.
Op een avond, na het eten bij ons, zei de gezonde partner ineens: “Ik trek het niet meer alleen. Jullie snappen tenminste hoe het gaat. Kunnen jullie wat vaker inspringen?” Mijn man vroeg nog: “Heb je de huisarts al gebeld?” Daar kwam direct een fel antwoord op: “Nee, want voor je het weet zit je in een heel circus van Wmo, wijkverpleging, casemanager, formulieren en mensen over de vloer. Dan ben je je hele leven kwijt.”
Ik zei: “Maar dit hou je toch ook niet vol?”
“Met wat hulp van vrienden wel,” was het antwoord.
En daar ging het mis, denk ik nu. Niet in รฉรฉn keer, maar stapje voor stapje. Eerst zou ik alleen meegaan naar het ziekenhuis in het streekziekenhuis, “want twee horen meer dan รฉรฉn”. Toen vroeg de partner of mijn man af en toe een uurtje kon blijven zitten zodat er boodschappen gedaan konden worden bij de Albert Heijn. Daarna kwamen de telefoontjes tussendoor.
“Weet jij waar de medicijnen liggen?”
“Kunnen jullie even komen, want er wordt niet gedoucht.”
“Wil jouw man vanavond even helpen, want ik heb de hele nacht niet geslapen?”
Ik voelde me verantwoordelijk. Misschien ook omdat ik uit de zorg kom. Alsof ik het dan niet kon maken om weg te kijken. Mijn man zei al snel: “Jij springt meteen in je oude rol. Maar wij zijn met pensioen, niet in dienst.”
Daar had hij gelijk in, maar hij maakte het zichzelf ook niet makkelijk. Als hij er eenmaal was, deed hij alles. Lamp vervangen, administratie uitzoeken, mee naar de apotheek, zoeken naar een verdwenen portemonnee. Daarna mopperde hij thuis dat zijn hele middag weg was.
Wij zeiden allebei geen duidelijke nee. Dat is ook eerlijk.
In december liep het verder op. We hadden kaarten voor een voorstelling in Arnhem. Een uur voordat we weg zouden, ging de telefoon. “Ik kan niet meer. Er wordt geschreeuwd, de buitendeur staat open en ik heb al sinds vanochtend niet gezeten. Kunnen jullie alsjeblieft komen?”
Mijn man zei: “Bel de huisartsenpost of 112 als het onveilig is. Wij kunnen niet alles oplossen.”
Ik hoorde door de telefoon meteen tranen en paniek. Dus zei ik: “We komen heel even.” We hebben die voorstelling gemist. Niet รฉรฉn keer, maar later nog vaker afspraken afgezegd. Koffie met mijn zus, een dagje sauna, zelfs een logeerweekend met de kleinkinderen hebben we ingekort.
Thuis kregen wij steeds vaker ruzie. Niet schreeuwen of zo, maar van die venijnige opmerkingen.
“Jij kiest altijd hun crisis boven onze plannen.”
“En jij doet alsof ik een slecht mens ben als ik wil helpen.”
“Nee, ik doe alsof dit niet meer normaal is.”
Hij had weer gelijk, maar ik vond ook dat hij de emotionele kant onderschatte. Je laat toch geen vrienden vallen als iemand ziek wordt?
Alleen veranderde er nog iets wat ik eerst niet wilde zien: de gezonde partner begon professionele hulp echt actief af te houden. Niet alleen uit angst, maar ook uit koppigheid. De praktijkondersteuner van de huisarts had al gebeld. Er was informatie over dagbesteding, casemanagement dementie en respijtzorg. Alles werd weggewuifd.
“Daar begin ik niet aan. Voor je het weet beslissen anderen alles. Bovendien hebben wij jullie toch?”
Dat zinnetje bleef hangen. Hebben wij jullie toch.
Ik zei: “Maar zo werkt het niet. Wij zijn vrienden.”
Het antwoord was: “Vrienden help je juist als het moeilijk wordt.”
Daar voelde ik me rot onder, want het klonk waar en tegelijk ook oneerlijk.
De echte klap kwam drie weken geleden. Het was kwart voor elf ’s avonds. We lagen al in bed. Er werd niet geappt maar aangebeld, hard en lang. Mijn man deed open in zijn pyjama. De gezonde partner stond buiten zonder jas, in paniek. De ander was weggelopen vanaf het hofje, richting de provinciale weg. Telefoon thuisgelaten. Of wij mee wilden zoeken.
Natuurlijk zijn we gegaan. Mijn man in de auto, ik lopend met een zaklamp door de straatjes en langs het fietspad. Uiteindelijk heeft de politie de persoon een paar kilometer verderop gevonden, verward en boos. Toen we terugkwamen, dacht ik alleen maar: dit is niet meer een beetje helpen.
De volgende ochtend heeft mijn man gezegd: “Nu is het klaar. Vandaag bellen we samen de huisarts en desnoods de gemeente. Anders stappen wij eruit.”
Ik vond dat hard, maar ik was zelf ook op. Ik sliep slecht, mijn schouders zaten vast en ik betrapte mezelf erop dat ik een appje al met tegenzin opende. Dat vond ik misschien nog het ergste, dat die warme vriendschap veranderde in spanning.
We zijn samen koffie gaan drinken en hebben het uitgesproken. Nou ja, uitgesproken… het werd vooral pijnlijk eerlijk. Mijn man zei: “Wij willen jullie niet kwijt, maar dit kunnen wij niet dragen.” Ik zei: “Ik help graag, maar niet meer dag en nacht en niet als alternatief voor zorg die eigenlijk geregeld moet worden.”
Er kwam boosheid. “Dus nu laten jullie ons vallen?” Er kwam ook verdriet. “Jullie weten toch hoe bang ik ben voor wat er dan allemaal op ons afkomt.” En toen kwam er iets wat ik niet wist: de gezonde partner had post van het CIZ en de zorgverzekeraar wekenlang ongeopend laten liggen. Gewoon uit angst. Niet omdat er niets mogelijk was, maar omdat het te veel voelde.
Daar schrok ik ook van. Ik had in mijn hoofd al half geoordeeld dat er gewoon niet gewild werd. Terwijl er dus ook pure verlamming achter zat.
We hebben toen samen die enveloppen opengemaakt. Er is nu een afspraak met de huisarts en een casemanager dementie in gang gezet. Maar de sfeer tussen ons is nog steeds anders. Minder vanzelfsprekend. Minder licht. Alsof we allemaal iets kwijt zijn geraakt.
Ik blijf ermee zitten dat wij te lang zijn doorgegaan zonder grens, en dat we daardoor zelf ook medeverantwoordelijk zijn dat het zo scheef is gegroeid. Tegelijk vind ik nog steeds dat je niet alles op vrienden kunt laten leunen als iemand dementie krijgt.
Ik vind het echt moeilijk: wanneer ben je een goede vriend, en wanneer moet je zeggen tot hier en niet verder? Wat zouden jullie doen in onze situatie?