Als de nacht alles wegneemt: Het verhaal van een moeder in rouw
‘Waarom heb je niet eerder gekeken?’ schreeuwt Jeroen, zijn stem breekt. Zijn ogen zijn rood, zijn handen trillen. Ik sta in de keuken, mijn rug tegen het aanrecht gedrukt, en ik voel de koude tegels door mijn sokken heen. Buiten raast de wind langs het raam; regen slaat tegen het glas. Daan is weg. Mijn kleine jongen is dood.
De stilte die volgt is ondraaglijk. Ik hoor alleen het tikken van de klok en het zachte gesnik van onze dochter Lotte boven op haar kamer. Ze is pas vier. Ze begrijpt niet waarom haar broertje niet meer wakker wordt. Ik weet het zelf ook niet.
‘Het was maar even,’ fluister ik. ‘Ik was maar even naar de wc…’
Jeroen draait zich om, zijn schouders schokken. ‘Je had moeten opletten! Je weet toch dat hij altijd overal op klimt!’
Ik wil schreeuwen dat hij net zo goed had kunnen opletten. Dat hij in de woonkamer zat, verdiept in zijn telefoon, terwijl ik even weg was. Maar de woorden blijven steken in mijn keel. Wat maakt het uit? Daan komt er niet mee terug.
De ambulancebroeders waren snel, maar niet snel genoeg. Daan lag onderaan de trap, zijn kleine lichaam slap, zijn gezichtje bleek. Ik zie het beeld steeds opnieuw als ik mijn ogen sluit. De sirenes, het blauwe zwaailicht dat onze woonkamer vulde met een spookachtig schijnsel. De buurvrouw die Lotte meenam, terwijl ik op mijn knieën zat te bidden dat dit niet waar kon zijn.
De dagen daarna zijn een waas van tranen en stilte. Mijn moeder komt langs met soep en zachte woorden, maar ik kan haar niet aankijken. Ze zegt dat het ongeluk was, dat niemand schuld heeft. Maar ik voel haar blik branden op mijn rug als ik koffie inschenk.
‘Je moet sterk zijn voor Lotte,’ zegt ze zachtjes.
Sterk zijn? Hoe dan? Mijn lichaam voelt leeg, alsof iemand mijn hart eruit heeft gerukt en vergeten is het terug te leggen.
Jeroen slaapt op de bank. We praten nauwelijks. Soms hoor ik hem huilen als hij denkt dat ik slaap. Soms wil ik hem vasthouden, maar dan denk ik aan zijn verwijtende blik en trek ik me terug in mezelf.
Op een avond zit ik aan de keukentafel met mijn zus Marieke. Ze pakt mijn hand vast.
‘Je moet jezelf niet de schuld geven, Sanne.’
‘Maar wie dan wel?’ Mijn stem klinkt schor. ‘Iemand moet toch schuld hebben? Anders… anders is het gewoon zinloos.’
Ze zwijgt even. ‘Misschien is het gewoon pech.’
Pech. Alsof Daan een kraslot was dat we verloren hebben.
De begrafenis is klein. Familie, een paar vrienden, buren die ongemakkelijk hun handen vouwen en zeggen dat ze geen woorden hebben. Lotte begrijpt er niets van; ze vraagt wanneer Daan weer thuis komt.
Na de begrafenis blijft iedereen weg. De stilte in huis is ondraaglijker dan ooit. Jeroen werkt lange dagen; hij komt laat thuis en vertrekt vroeg. Lotte klampt zich aan mij vast als ik haar naar bed breng.
‘Mama, waar is Daan nou?’
Ik slik de brok in mijn keel weg. ‘Daan is bij de sterren, liefje.’
‘Komt hij nog terug?’
Ik schud mijn hoofd en trek haar dicht tegen me aan.
’s Nachts lig ik wakker en luister naar het getik van de regen op het dak. Ik denk aan hoe alles anders had kunnen zijn als ik één minuut eerder was geweest, of als Jeroen had opgelet, of als we een traphekje hadden gehad dat niet kapot was gegaan.
Op een dag belt mijn schoonmoeder onverwacht aan. Ze staat op de stoep met een plastic tas vol boodschappen.
‘Je moet eten,’ zegt ze streng.
Ik laat haar binnen, maar haar aanwezigheid voelt als een oordeel.
‘Jullie moeten praten,’ zegt ze terwijl ze aardappels schilt.
‘Waarover?’ vraag ik bitter.
‘Over alles wat er gebeurd is. Over hoe jullie verder willen.’
Ik wil schreeuwen dat er geen verder is zonder Daan, maar ik hou me stil.
’s Avonds probeer ik met Jeroen te praten. Hij staart naar de televisie zonder echt te kijken.
‘We kunnen zo niet doorgaan,’ zeg ik zachtjes.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Wat wil je dan?’
‘Ik weet het niet,’ fluister ik. ‘Misschien… misschien moeten we hulp zoeken.’
Hij kijkt me eindelijk aan, zijn ogen dof van verdriet en vermoeidheid.
‘Denk je dat praten helpt?’
‘Ik weet het niet,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar dit… dit breekt ons.’
We gaan samen naar een rouwtherapeut in het ziekenhuis in Utrecht. De eerste sessie zeggen we bijna niets; we zitten naast elkaar als vreemden. Maar langzaam komen de woorden los: over schuldgevoelens, over woede, over hoe we elkaar kwijt dreigen te raken.
De therapeut zegt dat rouw geen rechte lijn is, dat we elkaar soms zullen verliezen en weer terugvinden.
Thuis probeer ik weer kleine dingen op te pakken: boodschappen doen bij de Albert Heijn, Lotte naar zwemles brengen, koffie drinken met Marieke op het terras bij de Hema. Maar alles voelt anders; elk kind dat lacht op straat snijdt door mijn ziel als een mes.
Op een dag vind ik Jeroen in Daans oude kamer. Hij zit op de grond met Daans knuffelbeer in zijn handen.
‘Ik mis hem zo verschrikkelijk,’ fluistert hij.
Ik ga naast hem zitten en samen huilen we voor het eerst sinds weken echt samen.
Langzaam vinden we elkaar weer terug, tussen de brokstukken van ons oude leven. We praten over Daan, over wat hij leuk vond – hoe hij altijd lachte als Lotte gekke bekken trok, hoe hij met zijn kleine handjes naar me reikte als hij moe was.
Soms denk ik dat het leven nooit meer licht zal worden, maar dan zie ik Lotte lachen in de speeltuin en voel ik een sprankje hoop.
Toch blijft de vraag knagen: had ik iets anders kunnen doen? Had ik Daan kunnen redden?
Misschien zal ik het nooit weten. Maar misschien is dat ook niet waar het om gaat.
Wat betekent schuld eigenlijk als liefde alles overheerst? En hoe vind je ooit weer rust na zo’n verlies?