Als het leven je rug toekeert: Het verhaal van Marloes, alleenstaande moeder uit Rotterdam

‘Dus jij denkt echt dat je het allemaal alleen kan, Marloes?’ De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik de deur achter me dichttrek. Mijn handen trillen. Het is koud in de portiek, maar het is vooral de kilte van haar woorden die me doet rillen.

‘Je hebt altijd al gedacht dat je beter wist dan wij allemaal,’ had ze nog geroepen, terwijl mijn dochtertje Noor zich aan mijn been vastklampte. Noor, met haar grote blauwe ogen vol vragen die ik niet kan beantwoorden.

Ik ben Marloes van Dijk, 32 jaar, geboren en getogen in Rotterdam-Zuid. Mijn leven was nooit makkelijk, maar sinds de dag dat Mark – Noors vader – besloot dat vaderschap niets voor hem was, lijkt alles een gevecht. ‘Ik kan dit niet, Marloes. Dit is niet het leven dat ik voor mezelf wil,’ zei hij op een regenachtige woensdagavond, zijn koffers al gepakt. Noor was toen net twee.

De eerste maanden daarna waren een waas. Ik werkte halve dagen bij de Albert Heijn aan de Beijerlandselaan, probeerde ’s avonds huiswerk te maken voor mijn opleiding Sociaal Werk en tussendoor was ik moeder, dochter, vriendin – of wat daar nog van over was. Mijn ouders vonden dat ik Mark moest terughalen. ‘Je hebt een kind nodig met een vader én een moeder,’ zei mijn vader steevast. Maar Mark was weg, en ik bleef achter met de scherven.

‘Mam, waarom woont papa niet meer bij ons?’ Noor vraagt het steeds vaker. Soms wil ik haar vertellen dat sommige mensen gewoon niet gemaakt zijn om te blijven. Maar ik glimlach en zeg: ‘Papa woont ergens anders, lieverd.’

De ochtenden zijn het zwaarst. Noor wakker maken, haar boterhammen smeren met pindakaas omdat ze geen kaas lust, haar haren vlechten terwijl ze klaagt dat het trekt. Dan snel naar school fietsen, regen of geen regen. Ik voel de blikken van andere moeders op het schoolplein. Ze groeten kort, maar hun ogen zeggen genoeg: daar heb je haar weer, die alleenstaande moeder.

Op een dag na school komt Noor huilend naar buiten. ‘Mama, Emma mocht niet met mij spelen omdat haar moeder zegt dat wij geen normaal gezin zijn.’ Ik voel iets in mij breken. Thuis probeer ik haar te troosten met warme chocolademelk en een dikke knuffel, maar ik weet dat de woorden van anderen als splinters blijven steken.

Mijn moeder belt die avond weer. ‘Marloes, je moet echt eens nadenken over je toekomst. Je kunt niet eeuwig zo doorgaan.’
‘Wat bedoel je daarmee?’ vraag ik scherp.
‘Je hebt hulp nodig. Misschien moet Noor bij ons komen wonen tot jij je leven op orde hebt.’

Het voelt alsof ze me uit elkaar wil trekken. Alsof ik niet genoeg ben als moeder, als dochter, als mens. Ik hang op zonder iets te zeggen en huil zachtjes in de keuken terwijl Noor boven speelt.

De schulden stapelen zich op. De huur is verhoogd, de energierekening blijft maar stijgen en mijn contract bij de supermarkt wordt niet verlengd. Ik probeer alles te verbergen voor Noor – haar mag niets ontbreken – maar soms hoor ik haar ’s nachts zachtjes praten tegen haar knuffelbeer: ‘Mama huilt weer.’

Op een avond zit ik aan tafel met mijn broer Jasper. Hij is altijd de favoriet geweest: goede baan bij de gemeente, getrouwd met een keurige vrouw uit Hillegersberg.
‘Waarom vraag je geen hulp aan de gemeente?’ zegt hij.
‘Omdat ik niet wil dat iedereen weet dat ik het niet red,’ snauw ik terug.
‘Marloes… Je hoeft je niet te schamen. Maar je moet wel iets doen.’

Ik weet dat hij gelijk heeft. Maar trots is een lastige vijand.

De volgende dag sta ik toch bij het wijkteam op de Dordtselaan. De vrouw achter het loket kijkt me vriendelijk aan terwijl ik mijn verhaal vertel – over Mark die weg is, over Noor die verdrietig is, over geld dat er nooit genoeg is.
‘Je bent niet de enige,’ zegt ze zachtjes. ‘Maar je bent wel dapper dat je hier staat.’

Langzaam verandert er iets. Ik krijg hulp bij het zoeken naar werk en er komt een maatschappelijk werker langs om te praten over opvoeding en stress. Het voelt vreemd om vreemden toe te laten in mijn leven, maar tegelijk lucht het op.

Toch blijft het moeilijk met mijn ouders. Mijn moeder blijft aandringen dat Noor beter af zou zijn bij hen.
‘Je denkt toch niet echt dat je haar alles kunt geven wat ze nodig heeft?’ zegt ze op een zondagmiddag terwijl we aan tafel zitten.
‘Misschien niet alles wat jíj belangrijk vindt,’ antwoord ik fel. ‘Maar wel alles wat zij nodig heeft: liefde en veiligheid.’

Er volgt een ijzige stilte. Mijn vader kijkt naar zijn bord en zegt niets.

Noor groeit op tussen deze spanningen. Ze is slim en gevoelig; ze merkt alles op. Soms hoor ik haar fluisteren tegen haar poppen: ‘Mama is sterk.’ Dan glimlach ik door mijn tranen heen.

Op een dag krijg ik een telefoontje van Mark. Hij wil Noor zien.
‘Waarom nu pas?’ vraag ik boos.
‘Ik was er nog niet klaar voor,’ zegt hij zachtjes.
Ik twijfel lang, maar uiteindelijk stem ik toe – voor Noor.

De eerste ontmoeting is ongemakkelijk. Noor kijkt hem aan alsof ze hem voor het eerst ziet. Mark brengt een grote knuffelbeer mee en probeert grapjes te maken, maar Noor blijft dicht bij mij zitten.
Na afloop vraagt ze: ‘Komt papa nu weer bij ons wonen?’
Mijn hart breekt opnieuw als ik haar moet uitleggen dat sommige dingen nooit meer worden zoals ze waren.

Langzaam bouwt Mark contact op met Noor, maar hij blijft op afstand. Mijn ouders vinden dat ik hem meer moet betrekken; Jasper vindt juist dat ik grenzen moet stellen.
Iedereen heeft een mening over mijn leven – behalve ikzelf, zo lijkt het soms.

Toch vind ik langzaam mijn eigen stem terug. Ik rond mijn opleiding af en vind werk als begeleider in een buurthuis. Het geld is nog steeds krap, maar ik voel me sterker dan ooit.

Op Noors achtste verjaardag zitten we samen op het balkon met taart uit de supermarkt en limonade in plastic bekers.
‘Ben je gelukkig, mama?’ vraagt ze ineens.
Ik kijk naar haar en voel tranen prikken achter mijn ogen.
‘Met jou wel,’ fluister ik.

Soms denk ik terug aan alles wat er gebeurd is – aan de ruzies met mijn ouders, aan de blikken op het schoolplein, aan de nachten vol zorgen en tranen. Maar als ik Noor zie lachen in de zon, weet ik dat elke strijd het waard was.

En toch vraag ik me soms af: hoeveel moet je opgeven voordat je eindelijk jezelf mag zijn? Wie bepaalt eigenlijk wat een goed leven is? Misschien hebben jullie daar ook wel eens over nagedacht…