„Anna, vanaf vandaag slaap je in de keuken” – Het verhaal van een moeder die vreemd werd in haar eigen huis

‘Anna, vanaf vandaag slaap je in de keuken.’ De woorden van mijn schoondochter, Marloes, galmen nog steeds na in mijn hoofd. Ik stond daar, met mijn handen vol afwas, terwijl zij in de deuropening leunde. Mijn zoon, Jeroen, keek zwijgend naar zijn telefoon. Niemand zei iets. Alleen het zachte gezoem van de koelkast vulde de stilte.

‘Maar… waarom?’ Mijn stem trilde. Ik voelde me ineens heel klein, alsof ik weer een kind was dat straf kreeg. Marloes haalde haar schouders op. ‘We hebben ruimte nodig voor de baby. Je begrijpt dat toch wel?’

Jeroen keek even op, zijn blik vluchtig. ‘Mam, het is tijdelijk. Tot we iets anders hebben geregeld.’

Ik knikte, maar vanbinnen brak er iets. Ik was altijd degene geweest die alles regelde. Die op tijd het eten op tafel zette, die Jeroen naar voetbal bracht, die nachten wakker lag als hij ziek was. En nu… nu was ik een last.

Die nacht lag ik op de oude slaapbank in de keuken. De geur van koffie en aangebrande melk hing in de lucht. Elke keer als de koelkast aansloeg, schrok ik op. Ik dacht aan vroeger, aan hoe ik Jeroen’s kamer schilderde in zijn lievelingskleur blauw. Hoe hij als kleine jongen altijd bij mij in bed kroop na een nachtmerrie.

De volgende ochtend zat Marloes al aan tafel met haar laptop open. ‘Kun je straks even boodschappen doen? We hebben geen melk meer en de luiers zijn bijna op.’

‘Natuurlijk,’ zei ik zachtjes.

‘En kun je daarna even met Sam naar het consultatiebureau? Ik heb een belangrijke call.’

Ik knikte weer. Alles om maar niet tot last te zijn.

Op straat voelde ik me onzichtbaar tussen de moeders met kinderwagens en studenten op fietsen. In de supermarkt vergat ik bijna wat ik moest halen. Mijn handen trilden toen ik bij de kassa stond.

Thuisgekomen hoorde ik Jeroen lachen in de woonkamer. Hij zat met Sam op schoot, Marloes naast hem. Ze zagen er gelukkig uit. Even voelde ik een steek van jaloezie – niet omdat zij gelukkig waren, maar omdat ik er niet meer bij hoorde.

Die avond probeerde ik met Jeroen te praten. ‘Weet je nog, toen je je arm brak bij het klimmen?’ vroeg ik voorzichtig terwijl ik de vaatwasser uitruimde.

Hij glimlachte flauwtjes. ‘Ja mam, dat weet ik nog.’

‘Je was zo bang…’

‘Mam, kun je dit bewaren voor een andere keer? Ik ben moe.’

Ik slikte mijn woorden in en ging terug naar de keuken.

De dagen werden weken. Mijn wereld werd kleiner: boodschappen doen, koken, schoonmaken, Sam ophalen van het kinderdagverblijf. Soms hoorde ik Marloes klagen aan de telefoon: ‘Ze is altijd overal bij… Ik wil gewoon mijn eigen gezin.’

Op een avond kwam Jeroen laat thuis. Hij rook naar bier en zijn ogen stonden dof.

‘Gaat het wel?’ vroeg ik voorzichtig.

‘Het is gewoon veel,’ zuchtte hij. ‘Werk, Sam, Marloes… en dan moet ik me ook nog zorgen maken om jou.’

‘Je hoeft je geen zorgen te maken om mij,’ zei ik zachtjes.

‘Maar dat doe ik wel! Je woont hier nu al maanden en…’ Hij stopte abrupt.

‘En wat?’

‘Misschien is het tijd dat je iets voor jezelf zoekt, mam. Een eigen plek.’

Mijn hart bonsde in mijn borst. ‘Wil je dat ik wegga?’

Hij keek weg. ‘Het is beter voor iedereen.’

Die nacht huilde ik stilletjes onder mijn dunne deken op de slaapbank. De volgende ochtend pakte ik mijn koffers – twee tassen met kleren en een doos vol foto’s van vroeger.

Marloes keek opgelucht toen ze me zag vertrekken. Jeroen gaf me een vluchtige knuffel bij de deur.

‘Bel als je iets nodig hebt,’ zei hij snel.

Ik knikte en liep naar buiten, de koude novemberlucht in.

Mijn nieuwe kamer in het bejaardentehuis was klein en kaal. De muren waren wit, het uitzicht was op een parkeerplaats. De eerste nachten sliep ik nauwelijks; elk geluid deed me opschrikken.

Langzaam raakte ik gewend aan het ritme van het huis: koffie om tien uur, kaarten om drie uur, bingo op vrijdagavond. Maar het voelde niet als thuis.

Soms belde Jeroen – korte gesprekken over koetjes en kalfjes. Sam zag ik alleen nog via foto’s op WhatsApp.

Op een dag kwam er een kaartje: ‘Gefeliciteerd met je verjaardag! Groetjes Jeroen, Marloes en Sam.’ Geen telefoontje, geen bezoek.

Ik keek naar de foto’s uit mijn doos: Jeroen als baby in mijn armen, zijn eerste schooldag, samen op vakantie naar Texel. Tranen prikten achter mijn ogen.

Waarom is het zo makkelijk om iemand te vergeten die altijd alles voor je heeft gedaan?

Soms vraag ik me af: wat betekent familie nog als je er niet meer bij hoort? Wie ben je als moeder als niemand je meer nodig heeft?

Heb jij ooit gevoeld dat je overbodig werd in je eigen familie? Wat zou jij doen als je alles dreigde te verliezen wat je liefhebt?